25 jaar LOKO - Leuven, 4 november 2011

04-11-2011

Mijnheer de rector,
Mijnheer de ererector,
Dames en heren professoren,
en vooral, beste studenten,

“Ce que vous êtes, nous l’étions ; ce que nous sommes, vous le deviendrez.”

In het pittoreske Elzasserdorpje Dambach-la-Ville vind je een ossuarium – ja, een knekelhuis – onder een kapel gewijd aan Sint-Sebastiaan, met woordelijk dat behoorlijk onheilspellend opschrift: “Wat u bent, waren wij eens ; wat wij nu zijn, zult u eens worden.”

De spreuk schoot me te binnen toen ik bedacht hoe snel een kwart eeuw voorbij gaat, hoe ingrijpend een mens in 25 jaar verandert en toch dezelfde blijft, hoe groot het gevaar is op belerend commentaar als men oudstrijders van 1986 aan het woord laat, en hoe roekeloos de organisatoren dan ook waren toen ze mij vroegen – als één van de toenmalige oprichters – om enkele overwegingen te formuleren bij 25 jaar LOKO.

Nu goed, U heeft er zelf om gevraagd… Maar legt u mijn gedachten gerust naast de oproep van Mon Vandenostyne, de allereerste voorzitter van de Algemene Studentenraad, die zegt dat elke studentengeneratie zijn eigen prioriteiten moet stellen, en niet te veel moet luisteren naar de “wijzen van het verleden”.

* * *

Eerst even terug naar dat verleden. In de jaren ’80 kreeg het idee opgang dat studentenorganisaties zich uitsluitend met studentenkwesties moesten bezig houden, en zeker niet met politiek. De Algemene Studentenraad (de ASR) werd door sommige faculteitskringen als te politiek geëngageerd beschouwd. Zeker de te dominante positie van de professionele vrijgestelden (vooral dan die van de Sociale Raad) was een doorn in het oog van sommige faculteiten.

Enkele kringen, waaronder mijn eigen VRG en Ekonomika, hadden zich dan ook afgescheurd van de ASR. Ze creëerden een nieuwe koepel, die apolitiek door het leven wilde gaan. Als jonge student zag ik dat, samen met heel wat vrienden, met lede ogen aan. Allicht was er vernieuwing nodig binnen de studentenvertegenwoordiging. Allicht moest er sterker worden gezocht naar bredere legitimiteit bij het innemen van standpunten. Maar studentenverenigingen waren in mijn ogen toch geen ledenclubs, die zich moesten beperken tot het laag houden van de prijzen van de syllabus en het inschakelen van de ombuds bij het aanpassen van de examenroosters!25 jaar LOKO, 04/11/11

Bovendien was het verdelen van de stem van de studenten in twee concurrerende koepels in mijn ogen allesbehalve efficiënt, ook als het alleen maar om het behartigen van hun belangen ging.

Overigens was er nog een gewichtig esthetisch argument: de “tegenkoepel” had gekozen voor een totaal foute naam: KrUL (Kring Unie Leuven), met een pedante kleine r in de toch wat lachwekkende afkorting. En de naam van het koepeltijdschrift (“Faze”) was ook een illustratie van het Latijnse Nomen sit omen (de naam weze een voorteken): de verdeeldheid van de Leuvense studenten mocht naar ons oordeel niet meer zijn dan een korte fase in de geschiedenis!

Daarom voerde ik in 1986 in de Rechten voor het eerst – ik dacht toen oprecht dat het ook voor het laatst zou zijn – een kiescampagne, met een praesesploeg genaamd Res Publica  (ja, dankzij Romeins Recht I en II in de bachelorjaren geraakten we met dat Latijn nog weg). De hereniging van alle studentenkringen onder één nieuwe koepel was één van onze programmapunten.

De start van het academiejaar 1986-1987 confronteerde me als VRG-praeses al meteen met het praktische nut van sterke eenheid onder de studenten. De regering Martens VI, met Guy Verhofstadt als onverbiddelijke begrotingsminister, bereidde zware ingrepen voor inzake de verhoging van de inschrijvingsgelden, en wat wij als de ontmanteling van de sociale voorzieningen zagen.

Ik herinner me nog de pin die we droegen:”Studeren is een recht, geen voorrecht.” Niet iedereen was het daarmee eens, maar de kreet bleef tenminste trouw aan de krachtige ambitie van de democratisering van het onderwijs. Een ambitie die ons land in twee generaties tijd had ontwikkeld tot één van de dichtste reservoirs van arbeidstalent ter wereld. Een ambitie die ook vandaag stoot op nieuwe grenzen en beperkingen.

Toch geloof ik dat België zijn positie in de geglobaliseerde wereld van economie, wetenschap en cultuur maar zal kunnen handhaven, als er een actuele invulling komt van die democratisering van het onderwijs, waarbij bekwaamheid consequent de bovenhand krijgt op afkomst.

Wat er ook van zij, ik ben ervan overtuigd dat de besparingscontext van de jaren ’80 de onderhandelingen ten gunste van een nieuwe eenheidskoepel onder de studenten sterk heeft bevorderd, zodat we al op 6 november 1986 LOKO boven het doopvont konden houden. De lange discussies over de nieuwe statuten heb ik mentaal verdrongen, maar ik herinner me wel dat er toen veel meer gerookt werd dan nu.

Overigens was die naamswijziging ook niet onschuldig:

Ten eerste moest de naam ASR verdwijnen, omdat ze voor sommigen te veel besmet was door bepaalde directieve methoden. Er moest opnieuw vertrouwen komen dat de organisatie niet op sleeptouw kon worden genomen door enkele doorduwers.

Ten tweede was het betekenisvol dat we van een “algemene” studentenraad naar een organisatie “van kringen” gingen. Wie de vergelijking met de Europese Unie wil maken, ontsnapt niet aan de indruk dat het over een meer intergouvernementele aanpak ging, versus de communautaire. Democratie blijft behoefte hebben aan een verankering in het nabije veld, waar mensen vat op hebben.

En ja, in mijn herinnering ben ik diegene die de naam LOKO verzon. Maar ik sluit niet uit dat er nog meer mensen aanspraak willen maken op het vader- of moederschap van dit acroniem.

* * *

Wat is anno 2011 de roeping van een studentenorganisatie zoals LOKO? Je kunt die vraag niet zinvol beantwoorden zonder je eerst af te vragen wat het betekent om student te zijn in deze hachelijke, postmoderne tijden.

Ik hoop in elk geval dat studenten van vandaag zich verzetten tegen een model dat hen reduceert tot een “klant” van een soort intellectueel grootwarenhuis. “De geest is geen kom die moet gevuld worden, maar een vuur dat moet ontstoken worden”, zei Plutarchus al.

Elke student heeft dus de morele opdracht om na te gaan welk vuur er bij hem of haar wordt ontstoken. Kiezen welke richting men wil inslaan, dat is een kwestie van afwegen. Maar eens de richting gekozen, moet er wat hartstocht aan de dag worden gelegd. Niet-geëngageerdheid of lauwheid mag eigenlijk geen optie zijn voor de “sterkhouders van de maatschappij straks”.

Dat engagement mag volgens mij niet alleen de directe omgeving van de student betreffen. Wie universitaire studies doet, en daardoor het ideaal van de “uomo universalis” wil benaderen, kan niet zonder een denkkader dat toelaat op een zinvolle wijze vat te krijgen op de brede maatschappelijke evoluties.

Het is mijn overtuiging dat dit engagement het best gedijt als het op een verenigde manier gebeurt. Studentenorganisaties zijn daarin voor vele maatschappelijke leiders van vandaag de eerste “serieuze” leerschool geweest.

In Leuven hebben verschillende studentengeneraties geleidelijk een stevige positie veroverd, zelfs met behoorlijk wat instrumenten van regelrecht medebestuur. Bij sommige keuzes – denk maar aan de rectorverkiezingen van een paar jaar geleden – was de stem van de studenten een factor die de uitslag kon doen kantelen. Wat jullie met die invloed aanvangen, is een vraag die alleen de studenten van vandaag kunnen beantwoorden.

Willen jullie een luis in de pels zijn, zoals Phara De Aguirre in één van de felicitatiefilmpjes suggereert? Of beschouwen jullie deze periode als een “goede springplank voor later”, zoals Marc Van de Looverbosch dat noemt? Ten opzichte van beide suggesties wil ik toch zeggen: “Plus est en vous.”

Nee, niet elke studentengeneratie slaagt erin om de koers van de geschiedenis ingrijpend te beïnvloeden. Maar je hoeft niet te slagen om toch minstens te proberen. Wie na 25 jaar terugkijkt op zijn of haar studententijd, waardeert pas echt de unieke samenloop van omstandigheden die iemand te beurt valt tijdens die enkele jaren in Leuven: een merkwaardige concentratie van talent en van een zekere ongebondenheid, de vrijheid van denken, oordelen en handelen, de toegang tot diverse manieren om naar de werkelijkheid te kijken, de energie van de jeugd en de kracht van idealen en dromen die nog niet allemaal door cynisme zijn aangevreten, … Zo veel zaaikracht doet een rijke oogst verwachten.

Meer dan ik zelf een kwart eeuw geleden besefte, voel ik hoe belangrijk het daarbij is om echte wereldburger te zijn. De internationale draden kunnen niet snel genoeg geweven worden. Een studentenkoepel moet intensief op die dimensie werken, en zo zijn meerwaarde aantonen.

* * *

Ik weet dat sommigen mijn appèl nogal veeleisend kunnen vinden. Wat moeten jonge mensen met al die verwachtingen van een 47-jarige alumnus, die zijn eigen parcours in Leuven ongetwijfeld met de hulp van een bijgekleurde bril herinnert? Zeker in tijden van crisis van het “zich vertegenwoordigd weten”, waarin meer en meer mensen aan hun leiders vragen “Met welk recht spreek jij eigenlijk in mijn naam?”. Die crisis slaat toe in de politiek, maar laat zeker ook de studentenvertegenwoordigers niet onberoerd.

Ik heb geen geruststellend antwoord. Tenzij misschien door te zeggen dat het de moeite waard is om het te proberen.

Het gesproken woord geldt

Recente foto's

.
 .
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

Zoeken