Feestrede ter gelegenheid van Rerum Novarum 2009 - woensdag 20 mei 2009
20-05-2009
Rerum Novarum 2009
Steven VANACKERE,
Vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken,
Overheidsbedrijven en Institutionele Hervormingen
Torrepoort te Gent, 20 mei 2009
Beste vrienden en vriendinnen van de beweging,
Het maakt me oprecht blij hier in Gent het woord te krijgen op Rerum Novarum, op de feestdag van de christelijke arbeidersbeweging.
118 jaar geleden schreef Leo XIII met Rerum Novarum over “nieuwe dingen”. Wat hij schreef, zette iets duurzaams in beweging. De mensen ondergingen op het einde van de 19de eeuw op schrijnende manier de gevolgen van de industrialisatie. Er was een sociale encycliek nodig om in ferme bewoordingen te stellen dat werknemers geen gereedschap zijn. Schandelijk en onmenselijk noemde Leo XIII het, als mensen niet hoger geschat werden “dan de kracht van hun spieren”. En hij trok van leer tegen de “allesverslindende woeker” door “hebzuchtige speculanten”.
Was Leo XIII in 1891 de bankencrisis van 2008 aan het voorspellen? Kon hij al voorzien dat ook in de 21ste eeuw mensen soms als wegwerpproducten zou¬den afgedankt worden? Als de woorden van toen klinken alsof ze over vandaag gaan, betekent dit dat we waakzaam moeten zijn. Ook nu beleven we “nieuwe dingen”: de globalisering, de dominantie van het materiële en van de economie, de toenemende individualisering en de groeiende strijd voor schaarser wordende grondstoffen. Deze nieuwe dingen van vandaag vragen van ons dat we samen blijven opkomen voor meer rechtvaardigheid.
Ja, wie opkomt voor een rechtvaardiger samenleving, die mensen niet ondergeschikt maakt aan economie en commercie, doet dat best samen. Rerum Novarum, en de sociale beweging die eruit voortkwam, kiest niet voor een Staat die alles regelt. Dat maakt de mens immers weer kleiner, en herleidt hem tot “voorwerp van zorg”. De mens is geen voorwerp, maar een persoon met rechten en plichten, met een unieke persoonlijkheid, die sterker wordt door verbondenheid.
Dat is de kracht van de christelijke arbeidersbeweging en van het middenveld: dat mensen door verbondenheid in staat worden gesteld om op te komen voor de eigen belangen, én voor de belangen van elkaar, én voor het algemeen welzijn. Door zelfzorg, zelforganisatie, en samen gedragen verantwoordelijkheid binnen een staat die dat mogelijk maakt en actief ondersteunt.
Samen hebben we de kracht. Alleen staan we nergens. In een interview zegt de voorzitster van de socialisten dat solidariteit gelijk staat met “do ut des: ik geef opdat jij zou geven.” Ik vind dat werkelijk een ongelooflijke uitspraak. Talrijk zijn immers de mensen die niet kùnnen teruggeven, omdat ze – met de woorden van Jozef Cardijn – “te korte armen en te korte benen hebben”. Voor een ACW’er klinkt het dan ook helemaal anders: “Ik geef niet opdat jij zou geven. Ik geef omdat jij het, zoals elke mens, waard bent.”
Wij zijn geen geïsoleerde individuen, die voor ons levensproject elk apart contracten afsluiten met elkaar, met de markt of met de staat. Dat besef zegt ons hoe belangrijk het verenigingsleven is. Rerum Novarum is eigenlijk ook de feestdag van gans het christelijke middenveld, dat zich laat inspireren door de gedachte dat de mens meer is. Meer dan een louter individu, dat op de markt koopt wat hij nodig heeft en zichzelf verkoopt aan wie hem kan gebruiken.
Wie mensen alleen beschouwt als individuele burgers, als klanten van overheid en markt, die spreidt het bedje voor de geprivilegieerden. Diegenen die kennis, geld, contacten en mondigheid genoeg hebben om vlot hun weg te vinden in de wateren van de geliberaliseerde economie. Wie als individu al sterk staat, kan het Matteüseffect – aan wie veel heeft, wordt veel gegeven – volop in zijn voordeel laten werken. Sommigen vinden het normaal dat zij een voltijdse individuele kinderoppas voor hun kind zouden laten financieren met door de samenleving zwaar gesubsidieerde dienstencheques, terwijl ouders met lage inkomens vruchteloos zoeken naar een betaalbare plaats in een vorm van collectieve kinderopvang. Vindt u dat normaal? Ik niet. Dat is de reden waarom we bij de zeer zware uitbreiding van Vlaamse kinderopvangplaatsen meer deden voor steden met veel kansarmoede, en waarom er voorrang kwam voor kinderen van alleenstaande ouders en ouders met lage inkomens.
Ook mensen met “te korte armen en te korte benen” moeten het recht hebben om met sterke stem te kunnen spreken tot de politiek en tot de economie. Maar dat kunnen zij niet op hun eentje. Niet zonder dat middenveld, zonder organisaties die hen vertegenwoordigen. Dat kunnen zij niet zonder jullie, CM’ers en ziekenzorgers, KWB’ers en KAV’sters, KAJ’ers, ACV’ers, mensen van Familiehulp, ARCO, Wereldsolidariteit, Pasar en Okra. Organisaties van het ACW geven zo ook stem aan wie stemloos is.
Het middenveld heeft bijzondere kracht als het gaat over het vormen van opinies en het stellen van normen. Verenigingen zijn onmisbaar om het maatschappelijke debat niet te laten verschralen tot de obsessie van de krantenkop, of tot wat een spraakmakende elite als correct naar voren schuift. Verenigingen kunnen de genante stilte doorbreken als populisme en poujadisme weerklinken. Als verenigingen spreken, overwinnen meer mensen hun schroom om tegen de waan van de dag in te gaan en het leuke ideetje van de week te relativeren.
Ik weet dat dit niet gemakkelijk is. Er beweegt zoveel. Onze trouwste vrijwilligers vergrijzen, zoals de rest van de samenleving. Veel engagement wordt in vraag gesteld. Maar het middenveld moet door die vermoeidheid heen geraken. Nu de politici, met nog 18 procent vertrouwen, eerst nog hun geloofwaardigheid bij de bevolking moeten terugwinnen, is dat middenveld de sterkste dam in de strijd tegen simplismen en tegen verstikkend egoïsme.
De laatste jaren werd er gespot met het middenveld, en ingehakt op de zogenaamde zuilen. Ontzuiling werd als grote bevrijding aangeprezen. Nochtans waren het net de zuilen die de grote massa’s in de moderniteit binnenloodsten. Ik las in De Morgen recent dat de christendemocratie terecht mag claimen één van de voornaamste architecten geweest te zijn van de omvorming van Vlaanderen van een onderontwikkelde en arme plattelandssamenleving tot een van de rijkste regio’s ter wereld. Dat is wel samen met die organisaties gebeurd, die allerminst de bedoeling hadden om de moderniteit tegen te houden.
Onder paars was het anders wel erg duidelijk welke “zuil” men vooral wilde ontmantelen. Vele politici beweerden wel dat ze mensen wilden ontvoogden. Maar ze bleken vooral geïnteresseerd om mensen rechtstreeks aan zich te binden, zonder die vervelende omweg langs een alert en kritisch middenveld. Hun “primaat van de politiek” bouwt voort op de oude maakbaarheidsgedachte. Krab daar het voluntaristische vernis af, en dan merk je vooral allergie aan pottenkijkers in de keuken van de politiek.
Veel politici die zich progressief noemen zeggen dat ze verenigingen en vrijwilligers willen inschakelen in de beleidsprioriteiten. Ze beweren dat ze geen betutteling willen, en dat ze een methode zoeken om de administratieve lasten te beperken. Ze vergeten dat die methode al sinds mensenheugenis bestaat. Die methode is “vertrouwen geven”. Vrijwilligers engageren zich niet met de bedoeling zichzelf financieel te verrijken. Ze verdienen meer vertrouwen. Hun oordeel op het terrein, oog in oog met mensen en in situaties die inlevingsvermogen vergen, zet vaak meer zoden aan de dijk dan de blinde toepassing van regels, al dan niet gedocumenteerd in dikke werkingsverslagen. Vertrouwen werkt. Daarom voerde ik als Vlaams minister in het vrijwilligerswerk erkenningen van onbepaalde duur in, met automatische en geïndexeerde subsidies zonder nodeloos papierwerk. Omdat vertrouwen echt werkt.
Als mensen samen zitten, worden ze creatief. Participatie is niet alleen een kwestie van af en toe een referendum, televoting of stemtest. Wie mensen wil bedotten, zal ze eerst isoleren. Burgerparticipatie wordt maar volwaardig als er ook sterke middenveldorganisaties zijn, die meningen bundelen in een breder kader. Politici die dat middenveld respecteren, betuigen het meer dan lippendienst. Zij informeren tijdig en maken ruimte voor frequent overleg. Daarom hou ik op deze feestdag een krachtig pleidooi voor het middenveld, het grote en het kleine, het oude én het nieuwe, dat vaak ook binnen onze beweging ontstond of waar onze militanten een hoofdrol spelen. Alle organisaties, ook die buiten het ACW, van Gezinsbond tot vredesorganisaties, en inclusief de vele vzw’s die met hun vrijwilligers initiatieven in zorg en cultuur torsen, zij verzoeten onze samenleving tegen alle verzuring in.
Ik zeg dus in alle klaarheid, en ik zeg het uitdrukkelijk namens mijn partij: wie denkt een gezondheidszorg te organiseren zonder de mutualiteiten, die zal het zonder ons moeten doen. Wie denkt de economische crisis aan te pakken zonder te rekenen op overleg met de sociale partners en dus ook de vakbonden, vergist zich. Wie het engagement van vrije initiatieven in het welzijnsveld wil laten verschralen door ze onder een betuttelend overheidsjuk of in de handen van de commercie te leggen, die moet nog eens twee keer nadenken, want CD&V doet daar niet aan mee.
Christendemocraten willen een evenwicht tussen economische dynamiek en sociale rechtvaardigheid. Dit evenwicht vinden we via overleg en harmonie. Het overlegmodel zorgt ervoor dat zoveel mogelijk mensen betrokken zijn en zich engageren voor het gemeenschappelijke doel.
Het genie van Rerum Novarum is inderdaad niet alleen zelforganisatie, maar ook overleg. Dus geen klassenstrijd, geen vruchteloze tegenstelling tussen “wij” en “zij”, maar wel een zelfbewuste, niet-naïeve keuze om eerst het “wij samen” te proberen. Overleg is ook vandaag van essentieel belang, met het oog op ‘de nieuwe dingen’ van deze tijd. Anders zouden we in ons land niet in staat zijn geweest om eind vorig jaar, in volle crisistijd, een inter-professioneel akkoord te sluiten. En zonder die zo noodzakelijke cultuur van overleg lukt het ons nooit om dit land in de komende jaren terug op een veilige budgettaire koers te brengen, de financieel-economische crisis te overstijgen en tegelijk de realisaties van onze sociale zekerheid voor de toekomst veilig te stellen.
Daarom moeten we meer nog dan vroeger de sociale markteconomie verdedigen. Wij willen een sociaal correcte markt. Zodat allen aan de welvaart deelnemen door een samengaan van economische groei en sociale vooruitgang. Want één ding heeft deze crisis ons in elk geval geleerd. We mogen ons niet meer laten afblaffen door economisten, filosofen en politici die zeiden dat alleen liberalisering en deregulering heil zouden brengen. Dat heil bleek helium in een ballon te zijn. Zoiets stijgt hoog, maar uiteindelijk knapt de ballon.
En wie helium inademt, praat raar. Velen spraken de laatste tijd een raar managersjargon. Maar de samenleving is niet beloond met veel “return on investment” door de “leverage” vanuit allerlei “smart markets”. Laat ons maar teruggaan naar de warme taal van de sociale markteconomie. Dat betekent dat we in deze geglobaliseerde tijd een nieuwe menselijke maat moet vinden.
De markt alleen is niet in staat om maatschappelijke, sociale en ecologische kosten op een rechtvaardige manier te verminderen en te verdelen. Het memorandum van het ACW “Bouwstenen voor een Europese sociale relance” omschrijft de klimaatverandering terecht als de grootste marktfaling ooit. Ook op Europese en wereldschaal is er behoefte aan een nieuw evenwicht tussen burger en overheid, gebouwd op de principes van de sociale markteconomie.
Morgen komt gans ACW samen in Antwerpen voor het grote “Feestival Social”. Dat bekroont voor de beweging een heel jaar van intense aandacht voor onze sociale zekerheid. Het heeft geleid tot honderden bijeenkomsten waar een hartverwarmende mobilisatiekracht van uitging. Ik wil de beweging hiervoor feliciteren en bedanken. Tegen de achtergrond van de schokkende economische gebeurtenissen van deze tijd, kon het jaarthema niet beter gekozen zijn.
Misschien klinkt een pleidooi voor het behoud van onze sociale zekerheid minder opzwepend dan een redevoering waarin Barack Obama zijn plannen ontvouwt. Maar wat vandaag aan de andere kant van de Atlantische Oceaan moet gebeuren, heeft veel te maken met het ontbreken op dat continent van een even sterke sociale zekerheid als hier, die mensen kan beschermen tegen de armoede.
CD&V wil mee de toekomst van de sociale zekerheid in ons land veilig stellen. Reken met ons niet op zogenaamd gedurfde luchtkastelen. Reken niet op bekrompen groepsegoïsme. Maar reken op een zorgvuldige aanpak die de vergrijzingstrein ziet aankomen, de kop niet in het zand steekt, verantwoordelijkheid combineert met solidariteit, en die in geen geval oplossingen naar voor schuift op de kap van wie gekwetst of kwetsbaar is.
De sociaaleconomische naschok van de financiële tsunami van vorig jaar maakte van een krapte op de arbeidsmarkt ineens een overschot. Steeds meer banen staan op de tocht. Vandaag is het alle hens aan dek om werknemers zo veel als mogelijk te beschermen. De federale regering nam daarom vorige maand, overigens na intens sociaal overleg, een drietal nieuwe crisismaatregelen rond tijdelijke werkloosheid van bedienden.
Maar als de crisis voorbij zal zijn, zal onze oude uitdaging er terug staan: hoe zorgen we ervoor dat mensen niet meer zo vroeg op pensioen gaan, en zin krijgen om langer te werken? Hoe zorgen we ervoor dat werkgevers meer oog krijgen voor wat oudere werknemers te bieden hebben, met competenties die door ervaring verworven zijn en die niet altijd op een diploma staan? Ons land is nog niet goed op de vergrijzing voorbereid, doordat de participatie van oudere werknemers aan het arbeidsproces tot de laagste van Europa behoort. Doordat ouderen zo vroeg stoppen met werken, verliezen wij geld langs de kant van de inkomsten. Geld dat we nodig hebben om de bijkomende uitgaven van de vergrijzing op een beschaafde manier te kunnen dragen.
Ik voorspel dat het eerder al door CD&V gelanceerde idee van de zilverbonus op dat ogenblik vernieuwde aandacht zal krijgen: een krachtige fiscale impuls om langer beroepsactief te blijven. De zilverbonus komt neer op een zeer drastische vermindering van de personenbelasting voor alle werkende mensen, maar dan wel tijdens de jaren dat ze verder aan de slag blijven in een loopbaan die gevoelig langer of zwaarder is dan de huidige gemiddelde carrière. Met dit soort maatregelen kunnen we vergrijzing omzetten in verzilvering.
Waarom het belangrijk is dat meer mensen werken, en dat mensen ook langer werken? Om te beginnen maakt werk de rest mogelijk: inkomen, huisvesting, gezin, kinderen, toekomst, perspectief, pensioen, cultuur. En zelfs vrije tijd, want wie geen werk heeft, heeft vaak ook geen echte “vrije tijd”, maar wel vooral veel zorgen. Maar meer mensen aan het werk is ook broodnodig om die andere kosten van de vergrijzing, de pensioenen en de gezondheidszorg, te kunnen blijven betalen. Economische groei zullen we nodig hebben. En solidariteit, die er moet voor zorgen dat we pensioenopbouw en gezondheidszorg niet overlaten aan het spel van de markt.
Elke mens moet het recht behouden op kwaliteitsvolle gezondheidszorg met recht voor de menselijke waardigheid. Omdat het een schande is dat mensen met een lage opleiding tot vijf jaar minder lang leven dan anderen, en achttien jaar minder lang van een goede gezondheid genieten. In ons stelsel draagt iedereen bij naar draagkracht, maar heeft iedereen recht op dezelfde zorg.
Zeker als het gaat over preventie, is daar nog een lange weg te gaan. Dat is de reden waarom ik dit als een prioriteit heb toegevoegd in de top drie van werkthema’s met de Vlaamse armoede-organisaties. De gezondheidskloof is schokkend, en wij moeten alles in het werk stellen om die kloof te dichten.
Op Rerum Novarum 2007 lanceerde Yves Leterme de rechtvaardigheidsagenda van CD&V, met vier concrete agendapunten voor de federale regering:
• een eerlijker verdeling van de welvaart, minder armoede, menswaardige uitkeringen, correcte pensioenen;
• meer investeren in kwetsbare mensen om hen echt weerbaar te maken en hun levenskwaliteit te verzekeren;
• een rechtvaardige toepassing van de belastingwetten;
• en tot slot ook justitie herstellen om de zwakkeren te beschermen.
Er is woord gehouden. Voor de uitkeringen is driekwart van de weg al beslist, met een inspanning van bijna anderhalf miljard euro. Zo trekken we vanaf 1 juni 2009 het minimumpensioen op met 3 procent, na de verhoging met 2 procent in juli 2008. De andere pensioenen stijgen in juni met 1,5 procent. De uitkeringen voor ziekte en invaliditeit werden opgetrokken. Ook de uitkeringen in de volledige en tijdelijke werkloosheid, de brugpensioenen, het vakantiegeld en kinderbijslagen namen toe. Ik weet dat er statistisch over het geheel van de bevolking in ons land geen zwaar probleem van koopkracht is. Maar statistieken zijn geen troost voor wie zijn centen moet rantsoeneren, tot en met het uitstellen van geneeskundige zorgen naar het einde van de maand.
Een rechtvaardigheidsagenda is niet alleen op uitkeringen gebouwd. Het komt er ook op aan mensen sterker te maken. Ik geef drie voorbeelden. De regering trok de werkbonus op voor werknemers met een laag loon, zodat ze netto meer overhouden. Met extra federaal pleegzorgverlof wordt een steuntje gegeven aan wie een kind onthaalt in het kader van een plaatsing. En in uitvoering van het laatste inter-professioneel akkoord worden nieuwe inspanningen gedaan voor de begeleiding en opvolging van werklozen.
In een rechtvaardige samenleving dragen de sterkste schouders de zwaarste lasten. Fraude moet dan ook aangepakt worden. Dat gebeurt ook. In 2007 bedroeg de schade door zogenaamde fraudecarrousels 44 miljoen euro. In 2008 daalde dat tot 30 miljoen euro. Dertig miljoen te veel. Het werk moet voortgaan.
Meer rechtvaardigheid veronderstelt ook meer veiligheid. De eerste slachtoffers van een falende justitie zijn de zwakkeren in de samenleving. Ook wie zich geen private beveiliging of dure advocaten kan veroorloven, heeft recht op fysieke integriteit en toegang tot het gerecht. Daar is aan gewerkt. Het gevangenisplan, dat nog was voorbereid door Jo Vandeurzen, is nu uitgewerkt. De middelen voor juridische bijstand zijn tegenover 2007 met ongeveer 15 procent verhoogd. In het justitiebeleid wordt meer aandacht besteed aan de positie van het slachtoffer. En een commissie maakt werk van beter verstaanbare rechtstaal, zodat mensen begrijpen wat aan en over hen wordt gezegd.
Als federaal vicepremier zeg ik u vanavond dat de rechtvaardigheidsagenda niet opgeborgen wordt. Ik neem, samen met Etienne Schouppe en de andere CD&V-ministers die zich voor deze agenda hebben geëngageerd, het engagement over om in onze politieke keuzes telkens de bescherming van de meest kwetsbaren eerst ter harte te nemen.
Maar ook het Vlaamse beleid heeft zijn rechtvaardigheidsagenda.
Laat me eerst zeggen dat 5 jaar christendemocratisch werk in de Vlaamse regering niet zonder sociale resultaten voorbijging, zeker vergeleken met de voorgaande paarsgroene periode. Zo steeg het budget van welzijn, gezondheid en gezin met een kwart meer dan de globale begroting. En dat is nog zonder rekening te houden met de succesvolle operaties van alternatieve financiering voor ziekenhuizen, rusthuizen en voorzieningen voor personen met een handicap. In de tweede helft van de regeerperiode kregen vier keer meer initiatieven Vlaamse infrastructuursubsidies toegewezen dan in de ganse periode 1999-2004. Wachttijden voor nieuwe rusthuizen, die vroeger tot zeven jaar of meer gingen, werden zo naar een normale periode van ongeveer een jaar teruggebracht.
En de welzijnssector herinnert zich hoe in het begin van deze legislatuur de onbetaalde facturen van de Vlaamse overheid aan de welzijnsvoorzieningen zo hoog opliepen – met achterstanden tot 36 maanden – dat vele vzw’s echt in de problemen kwamen en geen initiatieven meer durfden te nemen. Dat hebben wij eerst moeten rechtzetten. Spijtig dat de Stemtest alleen peilt naar opinies en woorden, maar niet naar beslissingen en daden!
Maar het werk is nog niet gedaan. Tussen 2004 en 2009 werd 128 miljoen euro uitgetrokken voor bijkomend aanbod van zorg voor personen met een handicap. Dat is twee keer meer dan wat de groene ministers in de vijf jaren daarvoor deden. 16.600 zorgvragen werden opgelost, haast drie keer meer dan de 6.600 wachtenden van 2003. Maar we weten vandaag dat het nog niet genoeg is. De stijgende levensverwachting van mensen met een handicap maakt dat we – gelukkig – langer voor hen mogen zorgen, en er ontstaan telkens nieuwe zorgvragen. Daarom moet er in de volgende legislatuur minstens even veel vers geld worden uitgetrokken voor meer zorgaanbod, met een blijvende prioriteit voor de zwaarst zorgbehoevenden. Die uitbreiding moet wat mij betreft ook samengaan met een verbetering van de personeelsomkadering, daar waar men moet werken met minder mensen dan gemiddeld.
Een andere groep die een appél doet op de Vlaamse Gemeenschap, betreft jonge mensen die in een problematische opvoedingssituatie leven, of die zich met strafbaar gedrag in de nesten werkten. Voor bijzondere jeugdbijstand deed men in de jaren 1999-2004 50 miljoen euro bijkomende inspanningen. Met 88 miljoen deden we tussen 2004 en 2009 een pak meer, zonder de nieuwe inspanningen voor opvoedingsondersteuning mee te rekenen. Maar ook hier is het niet genoeg. Het perspectiefplan dat we voorbereidden legt meer dan vroeger een accent op preventie en vroegtijdige aanpak in de gezinscontext. Het moet mee opgenomen worden in een volgend Vlaams regeerakkoord.
In een samenleving met één der hoogste zelfdodingscijfers van Europa, waar het gebruik van antidepressiva in tien jaar verdubbelde en er vijf keer meer psychiatrische opnames zijn dan het Europese gemiddelde, breek ik ook een lans voor veel meer aandacht voor geestelijke gezondheid. Ongetwijfeld begint dat met het aanpakken van de westerse onmacht in de omgang met wat niet perfect is. Maar ook een sterker uitgebouwd hulpaanbod, met meer samenwerking tussen centra voor geestelijke gezondheid, centra voor algemeen welzijnswerk en anderen, kan de Vlaming meer vertrouwen geven dat hij of zij niet alleen hoeft te blijven zitten met zijn problemen.
Tussen 2004 en 2009 verhoogden de drie christendemocratische ministers de middelen voor kinderopvang met 177 miljoen, meer dan twee keer zoveel als in de vorige legislatuur. Er was in het Vlaamse regeerakkoord beloofd om 5.000 extra plaatsen te creëren. Het werden er uiteindelijk 18.700. Ook voor de volgende regering moeten gezinnen vooraan komen. Daarom is een aanvullende Vlaamse gezinstoeslag een goed idee, naar het voorbeeld van de zorgverzekering, zodat alle Vlamingen ervan kunnen genieten, ook de Vlaamse Brusselaars. Dat is beter dan een hogere schooltoelage, want ouders dragen ook belangrijke kosten in de eerste levensjaren van een kind.
Ook ouderen rekenen op een sterk sociaal beleid in de Vlaamse Gemeenschap. Het aantal uren gezinszorg is onder christendemocraten al fors opgetrokken, met 15 procent. Er werd meer rusthuiscapaciteit gecreëerd. Maar dat volstaat amper om gelijke tred te houden met de demografische ontwikkeling. In vijf jaar tijd komen er in Vlaanderen 40.000 80-plussers bij, ongeveer zoveel als het aantal inwoners van de stad Dendermonde. De uitvoering van het Vlaamse woonzorgdecreet moet gepaard gaan met de budgetten die toelaten om onze senioren een plek te garanderen waar ze een mooie oude dag kunnen beleven, met respect voor hun autonomie en met zorg op maat.
De Vlaamse zorgverzekering werd in afgelopen legislatuur verbeterd doordat het maandelijkse bedrag voor wie thuis verblijft en zorgbehoevend is, verhoogd is van 90 euro naar 130 euro. Mensen willen immers allemaal zo lang als mogelijk thuis blijven. En deze zorgpremie is een welkome aanmoediging voor de tienduizenden mantelzorgers in Vlaanderen, die zorg dragen voor een familielid of vriend. Voor wie in een rusthuis verblijft, kwam er een kleine verhoging van 125 euro naar 130 euro. Wat mij betreft moeten deze uitkeringen voortaan geïndexeerd worden, en het zou rechtvaardig zijn de bijdragen meer aan te passen aan de draagkracht van de aangeslotenen.
Volgens het HIVA vermindert de zorgverzekering de bestaansonzekerheid in Vlaanderen met 8 procent. Armoede raakt ons allen. Het feit alleen al, dat in één van de welvarendste samenleving ter wereld armoede bestaat en toeneemt, is onthutsend. De aandacht ervoor en de oplossing ervan kan niet enkel toegewezen worden aan een vakminister. Het moet, wat men in het Duits noemt, Chefsache zijn, een zaak van de premier en de ministers-presidenten, die alle leden van hun regering opjagen tot we resultaten zien. Het Vlaamse toekomstpact “Vlaanderen in Actie” gaat terecht ook in op het armoedebeleid. Het atelier “Solidariteit tegen armoede en sociale uitsluiting” van vorige maand maakte dat concreet. De steun van het ACW aan dat pact wordt enorm gewaardeerd.
Van armoede gesproken, reikt onze solidariteit ook over de grenzen, in de vorm van efficiënte ontwikkelingssamenwerking en een rechtvaardiger wereldeconomie? Reikt ze ook binnen onze grenzen, naar wie van buiten die grenzen komen? Het vraagstuk van de mensen zonder papieren is niet eenvoudig. Simplistische of algemene maatregelen zijn niet de juiste oplossing. Maar het kan niet dat in het hele dossier geen beweging komt. Een betrouwbare overheid geeft houvast en voorspelbaarheid. Ik beloof u dat ik mij zal blijven inzetten voor een duidelijk, objectief en menselijk asiel- en migratiebeleid.
We leven helaas nog steeds in een “duale wereld”: een wereld van enkele rijke regio’s, zoals de Europese, en een wereld van hele grote arme regio’s. Onze wereld anno 2009 heeft in zijn geheel het uitzicht van België anno 1891. Rerum Novarum is op wereldschaal nog steeds bijzonder actueel. De dualisering van de wereld toont zich scherp in de dualisering van de stad. Ik zie het in mijn eigen stad, Brussel. Het aantal mensen in armoede neemt toe, het aantal laaggeschoolde werkzoekenden blijft er zeer hoog, en één kind op drie groeit er op in een gezin zonder enig arbeidsinkomen. Geert Mak merkte al op: “In de stad wordt de beschaving gevormd én op de proef gesteld.”
Als straks de helft van de wereldbevolking in een stad woont, staat of valt de levenskracht van elke ideologische strekking met haar capaciteit om oplossingen aan te reiken voor het leven in steden. De christendemocratie heeft die ambitie, en zij kan gelukkig bouwen op waardevolle sociale tradities, zoals deze van Rerum Novarum.
Rerum Novarum leert ons dat de mens de maat is van de dingen. Een werknemer is geen gereedschap. Een bejaarde is geen RIZIV-nummer. Een kind is geen subsidiabele eenheid. Een patiënt is meer dan een klant. Een verzekerde is geen nummer. Het zijn allemaal mensen, personen die vanuit hun waardigheid en gelijkwaardigheid recht hebben op respect, ongeacht de dikte van hun portemonnee.
Ik wil dan ook iets vragen aan al onze organisaties van de christelijke arbeidersbeweging. Blijf uw traditie trouw om uw aangeslotenen niet ‘klanten’ te noemen. Blijf ze ‘leden’ noemen en als ‘leden’ behandelen, dat wil zeggen als mensen, die in solidariteit met elkaar verbonden zijn.
De solidariteit is het DNA van ons bestel. De solidariteit is de genetische code van ons middenveld.
Een feestelijke Rerum Novarum gewenst!
Het gesproken woord geldt
Klik hier voor een sfeerbeeld van de viering en een passage uit de toespraak
