Het Belgische EU-voorzitterschap - vrijdag 7 mei 2010

07-05-2010

Lezing door Steven Vanackere
voor Europe Direct West-Vlaanderen

 

Vrijdag 7 mei 2010
Provinciehuis Boeverbos, Brugge

 

Dames en heren,

Het verheugt me dat ik hier vandaag met u over Europa, en ons voorzitterschap van gedachten kan wisselen. U vraagt me even stil te staan rond de “uitdagingen voor het Belgische voorzitterschap”. Ik hoef U allicht niet te waarschuwen: die zijn nogal talrijk.

Ik wil eerst even samen met u de ruimere context van naderbij bekijken. Nadien zeg ik een paar woorden over het specifieke van ons voorzitterschap. U zult mij tenslotte iets willen horen zeggen over de moeilijke politieke context waarin ons land zich bevindt.

De uitdagingen voor Europa

Het debat over meer of minder Europese integratie

Na de vernieling van het Europees continent tijdens de Tweede Wereldoorlog, werd de Europese integratie voor de grondleggers en de naoorlogse generatie een doel op zich: de uitbouw van Europa als ultieme vredesgarantie. Churchill pleitte, met vele anderen voor een Federaal Europa. Vandaag staat het Huis Europa op stevige voeten. Het is een vaststaand gegeven.
De dagen van de grote debatten over het einddoel van de Europese integratie blijken voorbij. De nieuwe generatie Europese burgers heeft het minder over de finaliteit, maar meer over het nut van Europa: wat kan of moet Europa doen.

We verglijden als het ware van een finaliteitsdebat naar een utiliteitsdebat. Sommigen menen dan ook dat we de grens van de Europese integratie hebben bereikt, en dat het Lissabon Verdrag het eindstation van de integratie zou betekenen.

De realiteit noopt ons tot heel wat nuancering. Inderdaad, vijf maand na het inwerking treden van ons nieuwe Verdrag, staat het Huis “Euro” in brand. We pogen de Griekse brand te blussen met een enorm kredietvolume, wel wetende dat de ingreep eenmalig is. Men moet dringend tot duurzame, structurele oplossingen komen.

Daarom vroeg de Europese de Lenteraad van 25-26 maart aan Herman Van Rompuy om tegen eind dit jaar met concrete voorstellen te komen. Terwijl ik nu aan het spreken ben, komt in Brussel een Top bijeen van Eurolanden om ook hierover verder te praten. De opdracht aan Herman Van Rompuy geldt: de controle op begrotingstekorten aanscherpen, maar ook de economische coördinatie onder leden van de Eurozone versterken. Dit wordt ongetwijfeld een hoofdthema voor dit jaar

Ook de aswolk uit IJsland, die 10 miljoen reizigers deed stranden, en tot 2.5 miljard verlies leidde bij de luchtvaartmaatschappijen, bracht ons tot de conclusie dat het Europees luchtruim niet langer door enkel nationale luchtcontroles kan worden beheerd. Plots komt opnieuw vaart achter het project van een uniek Europees luchtruim.

En er zijn nog talrijke andere voorbeelden die ons telkens tot dezelfde conclusie dwingen: de verweving onder de lidstaten van de Europese Unie is danig dat Europa in letterlijke zin een “ondeelbaar goed” geworden is.

Inderdaad, op vele vlakken kan men niet meer terug. Een stap terug betekent op monetair-economisch vlak waarschijnlijk het einde van de Euro. Terwijl het belang van Europa in de wereld nu reeds gestaag krimpt, zou dit de onmiddellijke verschrompeling betekenen.

Na de Europese binnenmarkt zijn nu ook de fysieke grensbarrières uit de Europese Schengen-ruimte weggevallen. Dit noopt tot meer samenwerking tussen onze rechterlijke en politiediensten.
De uitdagingen schijnen ons telkens te dwingen tot verdere Europese integratie, alsof het de enige weg vooruit geworden is.

De stap vooruit betekent weliswaar soevereiniteitsverlies. Ondanks 10 jaar discussie rond institutionele hervormingen rond het Grondwettelijk Verdrag, nadien het Lissabonverdrag, lijkt dit echter door allen aanvaard als de noodgedwongen weg.

Groeiende apathie van de burger

Terwijl we aldus beslissende stappen moeten nemen om de economische chaos te vermijden, staan we echter voor groeiende apathie van de burgers. Europa is transparanter, democratischer (het Europees Parlement krijgt groeiende macht) en ook tastbaarder in het dagelijks leven (met de euro in de portefeuille). Maar de burger ervaart net het omgekeerde. Er heerst vandaag een grote onverschilligheid, ja soms aversie voor Europa. Dit lijkt wel het grootste paradox.

Tanende Europese invloed in de wereld

We stellen bijna dagelijks vast hoe Europa aan invloed moet inboeten op het internationale toneel. De Top van Kopenhagen was zeker een late “wake up call”.

We zetten alles in het werk om dit tegen te gaan, met de uitbouw van een Europese Diplomatieke Dienst, en de benoeming van Herman Van Rompuy en Mevrouw Ashton tot beleidsverantwoordelijken voor het Buitenlands Beleid van de Europese Unie. Met het bundelen van de nationale en Europese middelen, en het samenbrengen van de economische en politieke instrumenten.

Instellingen in transitie

Alsof dit niet voldoende was, zitten we bovendien in volle transitie. Het Lissabon Verdrag is in werking getreden en het institutionele landschap heeft zich in enkele maanden tijd omgevormd in één gigantische bouwwerf. Het verdrag zou alles eenvoudiger en efficiënter maken, maar alles lijkt integendeel wel complexer dan we dachten. De machtsverhoudingen fluctueren. Er heerst spanning alom. Het gevoel heerst dat er op de bouwwerf geen bouwmeester te vinden is.

Conclusie: Enorme uitdagingen dus, dames en heren, aan de vooravond van ons voorzitterschap. Wat maakt ons voorzitterschap nu zo specifiek?

Nieuwe instellingen dwingen ons tot een nieuwe methode

Dit wordt ons 12de voorzitterschap, maar het wordt wel een breuk met het verleden. Een voorzitterschap in 2010, onder het Verdrag van Lissabon, heeft niets meer van wat het in 2001 nog was, onder het Verdrag van Nice. Ik wil hier meteen aan toevoegen dat de uitvoering van het Verdrag ook dé “rode draad” zal zijn van ons programma. We slagen pas echt als we kunnen aantonen, eind dit jaar, dat het nieuwe verdrag op een optimale manier functioneert, en dat de nieuwe instellingen robuust op hun poten staan.

Destijds, in 2001, konden we nog een 20-tal prioriteiten en een 30-tal objectieven in ons programma opnemen. Dit is nu niet meer zo. En wel om de volgende redenen:

• Met het nieuwe Lissabon Verdrag wordt de Europese Raad van staats- en regeringsleiders niet meer voorgezeten door het roterend voorzitterschap. Onze voormalige eerste minister Van Rompuy neemt hier als Permanent Voorzitter het roer over. Nieuwe ideeën en methodes komen binnen de Europese Raad vanaf nu vooral van hem.

• Het externe beleid van de Unie komt onder leiding van de Hoge Vertegenwoordigster, Cathy Ashton, die ook de Raad Buitenlandse Zaken voorzit. Ook hier verdwijnt het roterend voorzitterschap.

• Last but not least werken we nu samen in een Trio van drie opeenvolgende voorzitterschappen, met oog op continuïteit en coherentie. Samen met Spanje en Hongarije startten we reeds in mei 2008 de redactie van een gemeenschappelijk programma voor de periode van 1 januari 2010 tot 30 juni 2011.

• Het Europees Parlement is de rijzende macht: met het nieuwe Verdrag krijgt het Parlement medebeslissingsrecht op zowat 95% van de Europese Wetgeving. Het Europees Parlement keurt ook de financiële middelen en de begroting goed van de Europese Unie. Met andere woorden, het roterend voorzitterschap en de lidstaten boeten in feite aan initiatiefrecht in, en moeten meer aanleunen bij een wetgevend programma van de Commissie in onderhandeling met het Parlement.

Vóór en tijdens ons voorzitterschap moeten we meer dan ooit het Europees Parlement goed consulteren en informeren. Maar dit moet ook gebeuren met Herman Van Rompuy, de Europese Commissie en de diensten van nieuwe buitenland minister van Europa, Cathy Ashton. Een goede verstandhouding en samenwerking tussen deze 5 ‘bronnen van macht’ (het roterend voorzitterschap, de Commissie, het Europees Parlement, de Permanente Voorzitter van de Europese Raad en de Hoge Vertegenwoordigster voor het buitenlands en veiligheidsbeleid) is cruciaal voor het welslagen van ons voorzitterschap.

De spanwijdte voor creatieve actie door het voorzitterschap is dus fors ingeperkt: dit dwingt ons dus tot soberheid en realisme. Allicht is het nog te vroeg om een scherp oordeel te vellen. Maar het lijkt er op dat het nieuwe Verdrag van de roterende voorzitter eerder een “Service Provider” maakt dan een “Grote Roerganger” zoals destijds.

Ons inhoudelijk programma

Een paar woorden nu over de inhoudelijke opbouw van ons voorzitterschapsprogramma. We hebben in een eerste fase de prioriteiten vastgelegd binnen het kader van het Trio. Eind maart is de Commissie met haar werkprogramma voor 2010 naar buiten gekomen en ten slotte zullen we net voor ons voorzitterschap ook rekening moeten houden met de erfenis van het Spaanse Voorzitterschap, het zogenaamde “legacy program”.

Hoewel we nog niet in detail onze prioriteiten kunnen vastleggen - dit kan pas medio juni - kunnen we nu toch al enkele thema’s vermelden die in de tweede helft van dit jaar zeker prominent op de agenda zullen staan. Deze thema’s werden reeds besproken tijdens speciale ministerraden, met betrokkenheid van gewesten en gemeenschappen omdat die binnen hun bevoegdheidsdomeinen ook een belangrijke rol spelen in de komende maanden.

We zullen rond een vijftal thematische clusters werken. Dit betekent natuurlijk niet dat we minder belang hechten aan andere onderwerpen of dat het om een definitieve lijst gaat. Elk voorzitterschap wordt immers geconfronteerd met een aantal onverwachte gebeurtenissen. Ik kan in dit verband in herinnering brengen welke impact de 9/11 aanslagen op ons voorzitterschap in 2001 gehad hebben of de crisis in Georgië op het Franse voorzitterschap.

Een eerste thema waarin we veel energie zullen moeten stoppen, is de sociaal-economische situatie. In juni komen we hopelijk tot een nieuwe Europese Strategie voor Groei en Tewerkstelling of “Europa 2020”: het gaat over de opvolger van de Lissabon Strategie. In 2000 beloofden we tien jaar later één van de meest competitieve, op kennis gebaseerde economieën te worden. Dit is vandaag duidelijk niet gelukt. De economische groei en de creatie van jobs, met oog op een duurzame kenniseconomie, moet dringend worden aangezwengeld om ons toekomstig welvaartsmodel te verzekeren. Dit vraagt pijnlijke structurele hervormingen, gezonde overheidsfinanciën, meer investeringen in onderzoek, ontwikkeling en opleiding, etc.  Tijdens de Europese lentetop van eind maart, werd een eerste akkoord bereikt. In juni moeten we dit akkoord finaliseren. Dan rest het Belgische voorzitterschap de uitvoering te starten. De staats- en regeringsleiders zijn duidelijk van plan over dit onderwerp zelf de leiding te behouden, en vragen Herman Van Rompuy daarom om deze problematiek nauwlettend te blijven volgen.

Zoals ik het reeds in de inleiding stelde, wordt ook veel verwacht van de werkgroep van de Heer Van Rompuy, die tegen eind dit jaar concrete voorstellen moet formuleren rond versterkte controle op de begrotingsdiscipline, alsook nieuwe economische en financiële crisismechanismen. Ons voorzitterschap wordt er nauw in betrokken. Een grote maar mooie uitdaging!
 
1. Een tweede belangrijke dimensie van ons voorzitterschapsprogramma is de klemtoon op sociale inclusie en de strijd tegen de armoede. 2010 is immers ook het jaar van de strijd tegen sociale uitsluiting en armoede. Met de vraag naar een socialer Europa willen we terecht dat Europa zich niet enkel bekommert om de economische groei. We moeten op dit vlak wel realistisch zijn: niet alle andere 26 spelers op het terrein denken dat hier werk is neergelegd voor Europa.

2. Klimaat en milieu: het “Kopenhagen akkoord” van december 2009 moet eind dit jaar in Mexico (Cancun) worden vertaald in concrete verbintenissen. We mogen als Europeanen niet meer worden uitgespeeld zoals in Kopenhagen. Tijdens mijn recente reizen naar India en China merkte ik hoe groot de kloof is tussen wat de EU zich wenst en wat landen als India en China bereid zijn om te geven. De EU kan en moet een voorbeeld blijven voor andere landen en regio’s, maar we moeten tegelijk ook pragmatisch zijn als we een resultaat willen bereiken en allianties met andere partners aangaan. Aangezien daarvoor een sterk en coherent Europees optreden nodig is, pleit België ervoor dat de Europese Commissie namens de EU een cruciale rol zou krijgen aan de onderhandelingstafel rond de klimaatdossiers.

Verder moeten we ook voldoende aandacht besteden aan thema’s als biodiversiteit. De vergroening van onze economie vraagt een horizontale benadering op Europees niveau en een sterke verwevenheid met o.m. het energie- en het transportbeleid.

3. Veiligheid, Justitie, Binnenlandse Zaken: Ten einde een open en veilige Unie tot stand te brengen die in dienst staat van de burgers, van hun fundamentele vrijheden en hun bescherming, moet ook de samenwerking tussen politie- en douanediensten, samenwerking op het vlak van strafrecht en burgerlijk recht, asiel, migratie en visumbeleid, etc. worden aangesterkt. Ook de samenwerking in de strijd tegen internationaal terrorisme en georganiseerde criminaliteit, de wederzijdse erkenning van gerechtelijke beslissingen en de uitbouw van een Europees migratie- en asielbeleid zijn thema’s die een directe impact hebben op het leven van de EU-burgers. Dat vraagt concreet dat we tijdens ons voorzitterschap spoed maken met de uitvoering van het Stockholm-programma, het Europees kader voor dergelijke samenwerking in de periode 2010-2014.

4. De externe dimensie : zoals eerder reeds gezegd, is het nu de Hoge Vertegenwoordigster Cathy Ashton die het buitenlands beleid van de Unie zal uitvoeren en de Unie in het buitenland gaat vertegenwoordigen. Zij beschikt daarvoor nog niet over het onontbeerlijk instrument: een Europese diplomatieke dienst. De opbouw van de dienst is volop in onderhandeling. Hierover misschien een woordje meer. Vorige week kwamen de lidstaten tot een politiek akkoord met de Commissie, die belangrijke toegevingen moet doen en haar personeel en delegaties moet opgeven voor de opbouw van de dienst. De Commissie zal ook een deel van haar autonomie verliezen in het toewijzen van haar budgetten voor het buitenland. De bedoeling is dat we tot een synthese komen tussen de middelen van de Commissie, en deze van de lidstaten. Dit alles moet dan gecoördineerd worden door Cathy Ashton binnen deze diplomatieke dienst. Nu moet Cathy Ashton daarover verder onderhandelen met het Europees Parlement, dat ook in dit dossier zijn tanden laat zien. Het Europees Parlement eist medezeggenschap over het Europees buitenlands beleid, die het volgens de letter van het Verdrag in feite niet heeft. Een paar deelaspecten (financieel reglement en personeelstatuten) moet het echter wel goedkeuren. Het Parlement dreigt deze twee deelaspecten te gijzelen om haar invloed te kunnen laten gelden over de volledige architectuur en reikwijdte van de Dienst voor Externe Actie. Het wordt dus een moeilijke onderhandeling tijdens de volgende weken en maanden.

In afwachting, en zolang de Europese diplomatieke dienst nog niet uit de startblokken is, ben ik bereid, indien Lady Ashton dit wenst, de Belgische diplomatie waar nodig te laten bijspringen. Dit geldt zowel voor het voorzitten van vergaderingen binnen de Unie in Brussel, als voor de vertegenwoordiging van de Unie in het buitenland of voor specifieke acties. Maar dat bijspringen mag slechts een voorlopige oplossing zijn. Het Verdrag van Lissabon laat geen plaats meer voor het roterend voorzitterschap in het externe beleid van de Unie. Men moet vermijden dat men via een achterpoortje oude praktijken herinvoert indien Ashton niet over voldoende middelen zou beschikken. Dit zou enkel verwarring zaaien bij onze externe partners en hun perceptie van de Hoge Vertegenwoordiger afzwakken.

Maar anderzijds hoeft dit engagement en dit respect voor een correcte uitvoering van het Lissabon Verdrag er ons ook niet van te weerhouden om blijvend aandacht te vragen voor landen en thema’s waarvoor België een bijzondere interesse en expertise heeft. Daarbij denk ik natuurlijk in de eerste plaats aan Centraal-Afrika. Niet alleen in Europa, ook daarbuiten, rekent men op ons land om een bijzondere inbreng te leveren in dit dossier. De normalisering van onze relatie met Kinshasa is en blijft een belangrijk gegeven omdat het een concrete dialoog van België met dit land mogelijk maakt en de basis biedt voor een brugfunctie van België in de richting van Europa en de wereld.

5. Ik zelf zal de Raad Algemene Zaken voorzitten die de algemene horizontale coördinatie van de Raad waarneemt. Zo bereidt de Raad Algemene Zaken elke Europese Top voor. Maar de Raad Algemene Zaken stuurt ook de uitbreidingsdossiers. De Commissie bekleedt hierin een centrale rol als onderhandelaar namens de 27 lidstaten met de toetredingskandidaten. Zij krijgt het mandaat van de Raad, en ik zal dus de positie van de lidstaten ten aanzien van de onderhandelingen die de Commissie in onze naam voert, samenvatten tot een duidelijk mandaat voor de Commissie. België wordt in deze dossiers als een vrij orthodox land aanzien, dat matig wil zijn in de verdere uitbreiding van de Unie. Maar als voorzitter dien ik echter de rol waar te nemen van een neutrale scheidsrechter, een “honest broker”. Het lijkt me belangrijk dat de kandidaat-landen voor toetreding, beoordeeld worden op hun eigen merites en de realisatie van een aantal criteria. Verdere stappen naar de toetreding kunnen enkel worden gezet op basis van de bestaande conditionaliteit. De kandidaten hebben de graad van verdere toenadering tot de EU dus zelf in de hand. Dit geldt voor Kroatië dat het dichtst staat bij toetreding, maar ook voor Turkije. De Turkse toetreding is niet voor morgen, maar we moeten het onderhandelingsproces wel verder zetten. Ik hoop dat België in de tweede helft van dit jaar misschien kan bijdragen tot positieve ontwikkelingen in bepaalde irritanten die dit proces bemoeilijken (bijv. inzake de Turks-Cypriotische relaties).

Ik zal ook het voorzitterschap waarnemen wanneer de Raad samenkomt om over handel te praten. Een belangrijk thema is natuurlijk de poging om vooruitgang te brengen in de multilaterale handelsonderhandelingen in het kader van de Doha Ronde.

Organisatorische aspecten

Voor ik afrond, nog een paar woorden over de organisatie en methode alsook de bijzondere context waarvoor we staan, ten gevolge van onze binnenlandse politieke crisis.

Over de voorbereiding van ons voorzitterschap mag ik eerder gerust zijn. We startten reeds in 2008. De organisatorische sokkel staat stevig op de grond. Budgetten, personeel, kalenders, evenementen en dergelijke zijn al vastgelegd of toegewezen. Een speciale website wordt geactiveerd vanaf 1 juli. We ondernamen ook een reeks consultaties met het maatschappelijk middenveld over alle thema’s van belang voor de toekomstige Belgische voorzitters. Aan het einde van deze oefening zal hierover een publiek synthesedocument worden opgesteld. Een ontwerp van inhoudelijk programma werd reeds geschreven en wordt aan de ministerraad op 19 mei voorgesteld. Er zal natuurlijk nog gesleuteld moeten worden aan deze teksten, met oog op een definitieve goedkeuring in juni.

Ondanks onze politieke crisis, moeten we nu binnen de ministerraad garanderen dat de voorbereidende werkzaamheden, het verder leggen van contacten met het Europees Parlement, de Europese Commissie of nog de collega’s van andere landen onverminderd verder gaan. We zullen er ook moeten op toe zien dat we na de verkiezingen van 13 juni, ondanks de coalitieonderhandelingen, de start niet missen op 1 juli en dat elkeen van ons, die een ministerraad van de Unie moet voorzitten, dit naar behoren doet. Onze administratie heeft voldoende expertise en mankracht om dat te kunnen opvangen. Maar dit vraagt dan ook dat wij politici voldoende vertrouwen hebben in de “know how”, het “savoir faire” van onze ambtenaren.

Het wordt dus zeker een moeilijke opdracht, moeilijk omdat Europa voor moeilijke tijden staat. Nog moeilijker want ons land staan nog grotere uitdagingen te wachten. Ik denk echter dat we, ondanks de electorale koorts, goede afspraken moeten kunnen maken. Uiteraard kunnen we op de degelijkheid van onze administratie vertrouwen.

Slot
Tot slot wil ik terug aanknopen bij wat ik aan het begin van mijn uiteenzetting gezegd heb: Europa moet uitdagingen aangaan op vele fronten. Europa staat met de Griekse crisis onvermijdelijk voor de praktische keuze tussen een stap terug of een stap voorruit. Dit noopt ons tot pijnlijke keuzes. Terwijl onze internationale invloed taant, stellen de Europese burgers zich echter steeds kritischer op tegenover Europa en zitten we opnieuw in een institutionele transitie. We hebben minder marge voor creativiteit dan in 2001. Het is nu echter niet zo dat alles plots saaier zal moeten zijn. De gedwongen inperking van onze rol en visibiliteit en de eis tot meer soberheid, belet ons immers helemaal niet om met meer diepgang te werken.
 
Ik wil in dit verband opnieuw verwijzen naar de Europese Top van maart. Ondanks het succes van de euro wordt duidelijk dat het Europese instrumentarium nog niet volstaat om crisissen zoals in Griekenland aan te kunnen. Nog voor we het wisten, komt plots een nieuwe kans om aan de Europese integratie een nieuwe “schwung” te geven. Men vraagt ons de weg aan te geven van een monetaire naar een economische Unie. Men moet hierover vooral niet te luid gaan praten, maar het gewoonweg doen!
Nieuwe problemen vragen nieuwe oplossingen. Nieuwe denkpistes worden aangeboord. Mij valt hierbij het volgende op. Europa gaat blijkbaar nooit vooruit onder druk van grootspraak. Men kan wel van de daken schreeuwen dat men dringend een federaal Europa eist, maar iedereen geeft ons meteen ongelijk. De harde realiteit dwingt ons eerder om kleine stapjes te zetten. Weg van de retoriek, lijkt dit de lange, moeizamere weg naar meer integratie.

In het verleden heeft men die al te vaak willen omzeilen. Het resultaat is dat Europa de grote retoriek hanteert, terwijl de rest van de wereld met concrete resultaten komt. Straks moeten we nog oppassen dat China, in alle discretie, ons niet voorbij loopt in de uitbouw van “groene” technologieën en een echte kenniseconomie. Meer dan ooit moet Europa terug met de substantie aanknopen. Diepgang vraagt geduld en bescheidenheid. Ik vind het dan ook belangrijker dat België felicitaties krijgt voor zijn rol als bruggenbouwer in enkele cruciale dossiers dan voor het voorstellen van vele nieuwe prioriteiten die maar half gerealiseerd worden.
Men moet terug naar de geest van het evangelie van de heilige Jean Monnet: “la méthode des petits pas”.

De uitdagingen voor Europa zijn enorm, maar er is geen alternatief voor meer Europa. We kunnen deze uitdagingen enkel aangaan als we beschikken over een goed doordacht plan, zelfzekerheid en geduld bij de uitvoering. Het is deze methode die ik bepleit binnen onze regering, en die ik tot de mijne maak als toekomstig voorzitter van de Raad Algemene Zaken.

Ik dank u voor uw aandacht.

Het gesproken woord geldt

Recente foto's

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

Zoeken