Kan het geloof Europa redden? - dinsdag 23 februari 2010

23-02-2010

U vroeg mij te spreken over: “Kan het geloof Europa redden?”

Het is een vraag die ik niet kan aanpakken zonder eerst – net zoals voor een medicament eerst uit de bijsluiter voor te lezen – een paar waarschuwingen op een rijtje te zetten.

Moet Europa gered worden?
Uw vraag laat vermoeden dat Europa verloren zou zijn of op de rand van de afgrond zou staan. Een enkele historische terugblik leert echter dat Europa in de vorige eeuw groter gevaar heeft gelopen om zijn vernietiging tegemoet te gaan. Denk aan de gruwelijke Eerste Wereldoorlog, een eindeloze en absurde offergang van jonge mannen. Of sta even stil bij de Tweede Wereldoorlog die Europa confronteerde met de – jawel, antichristelijke – barbarij van een Nieuwe Orde, die mensenlevens schaamteloos durfde te ontwaarden.

Het “redden van Europa” krijgt ook een heel andere klank, als je als buitenlandminister de eerste maanden van 2010 geconfronteerd wordt met de gevolgen van onmenselijk geweld in Oost-Congo, met het bijkomend leed dat een slecht werkende overheid veroorzaakt in geval van een natuurramp zoals in Haïti, of nog met regimes zoals in Iran, die mensenrechten beschouwen als hinderlijke details bij het nastreven van hun totalitaire strategie.

Beseffen wij wel genoeg dat het “bescheiden mirakel van een normaal leven” in vele opzichten in ons stuk van de wereld nog altijd meer binnen handbereik ligt dan elders?

Waarvan moet Europa vandaag worden gered?
Maar ik veronderstel dat u bij uw basisvraag van vanavond denkt aan wat men soms de fundamentele identiteitscrisis van Europa noemt, of nog de beschavingscrisis van het Westen.

Hierover publiceerde de Praagse aartsbisschop, kardinaal Vlk,in 2000 een boek onder de duidelijke titel: Wird Europa heidnisch? (Wordt Europa heidens?). Hierin stelt Vlk, die tevens voorzitter is van de Raad van Europese Bisschoppenconferenties, dat Europa steeds verder seculariseert en dat de samenleving een morele omwenteling nodig heeft. De Europese christenen zouden echter “te egoïstisch en te heidens geworden zijn om de spirituele erfenis van het continent te verdedigen”.

De vraag is of dat waar is. Ten andere, zelfs kardinaal Vlk zegt tegelijk: “Als gelovige mens ben ik optimistisch.” Feit is: Europa beleeft een identiteitscrisis en weet geen weg met zijn christelijke erfenis. Feit is echter ook: Europa wordt zich stilaan bewust van dat geestelijke en culturele deficit. Misschien ook wat onder indruk van een zelfbewuste islam, beseffen velen in Europa steeds meer het belang van het christendom. Ik neem als verrassend voorbeeld de patron van de Franse bakermat van de Laïcité, president Nicolas Sarkozy, die in 2004 schreef in zijn boek La République, les religions, l’espérance dat de religie de dimensie van de hoop binnenbrengt in de samenleving.

Is het enkelvoud voor het woord “geloof” toeval?
In uw vraag spreekt u niet, zoals Sarkozy, over “les religions”, maar over “het” geloof. Toeval? Deze bijkomende vraag verbergt natuurlijk een uitgebreid debat rond interreligieuze dialoog, tolerantie, actief pluralisme, identiteit, … waar we gerust een andere avond mee zouden kunnen vullen. Ik heb uw vraag in elk geval geïnterpreteerd als een verwijzing naar “het” geloof dat het sterkst wordt geassocieerd met de geschiedenis en de identiteit van wat we onder Europa verstaan: het christelijk geloof.

En wat bedoelen we eigenlijk met Europa?
Dat brengt mij bij de vraag: wat is Europa? Europa is allereerst een politiek feit en een economische realiteit. Maar hoezeer Europa allereerst politiek en economie is, toch zou Europa niet dat politieke eenwordingsproces en die gemeenschappelijke economische ruimte zijn geworden, ware Europa ook niet ten diepste iets anders, namelijk een cultureel gegeven.

Dat Europa een ‘gemeenschap’ en een ‘unie’ kon worden, hebben we zeker niet te danken aan de aardrijkskunde. De Schotse theoloog Lesslie Newbigin die lange tijd missiebisschop was bij de anglicaanse Church of India, noemt in een van zijn geschriften Europa “merely the western part of Asia”. Het woord Europa komt ten andere van het Semitische Ereb dat “zonsondergang” en dus ‘Avondland” en “Westen” betekent. Europa is helemaal geen natuurlijk gegeven, want het heeft aan de oostelijke zijde geen natuurlijke grens. Met het gevolg dat we niet goed weten wat we met Turkije moeten aanvangen, en de onzekerheid over hoever de uitbreiding van de unie binnen het gebied van het oude Sovjetimperium moet gaan.

Als Europa geen natuurverschijnsel is, dan is Europa een cultuurverschijnsel. Europa is ‘gemaakt’.

Europa begon met Athene, waar de mensen een taal spraken die lidwoorden kent, het Grieks. Een taal met lidwoorden is geestelijk bijzonder. Hij laat denken over absolute begrippen, zoeken naar het ideaal. Sinds de Grieken met hun lidwoordentaal gaan we blijvend op zoek naar het goede, het ware, het schone (het geloof…). Dat is Europa: een filosofische rusteloosheid.

Dat Europa breidde uit met Rome dat ons leerde te denken in structuur en organisatie. Ook dat is Europa: een organisatorisch talent.

Jeruzalem sloop via Rome Europa binnen en doordesemde het met het begrip naastenliefde – elke mens is evenwaardig – en zijn scheppingsverhaal – de aarde is ons gegeven om te beheersen en te bewaren. Ook dat is Europa: een mensbeeld van gelijkwaardigheid met verantwoordelijkheid.

En Verlichters voegden er de geest van onderzoek aan toe; wetenschappelijk onderzoek en economische ontwikkeling zijn er de vruchten van. Ook dat is Europa: een geloof in vooruitgang.

Europa is dus alleen Europa omdat het op waarden is gestoeld. Zonder die complexe identiteit van waarden uit verschillende stromen, met de christelijke als hoofdstroom, zou Europa niet langer Europa zijn. Onze Europese identiteit is het product van die tradities en waarden.

Europa te veel een economische gemeenschap?
Een waarde is geen verworvenheid waarop we ons kunnen laten voorstaan; een waarde is een opdracht. Na de Tweede Wereldoorlog wilden Europese staatslieden de vrede duurzaam verankeren door ze te vervlechten met de praktische, economische belangen van de Europese landen. “La solidarité du fait”, noemde Jean Monnet dat in zijn Mémoires. Het is de vraag of we, met het accent op de economische samenwerking, wel hebben gerealiseerd wat die grondlegger van de Europese integratie beoogde in het begin van de jaren 1950: “Wij verbinden geen staten, wij verenigen mensen.”

Europa als politieke inspiratie en als gemeenschap van waarden bleef in de schaduw staan van de economische gemeenschappelijke markt. Daardoor voelen vele Europeanen van vandaag zich niet met Europa verbonden. Ze zijn in hun denken geen ‘Europeanen’ geworden. De Europeanisering van de Europeaan moet nog gebeuren. Je vervlecht geen mensen, als het vlechtwerk buiten hun belangstelling ligt en buiten handbereik.

Een van de uitdagingen voor de toekomst bestaat erin om in vertrouwen en met verantwoordelijkheid te leren omgaan met de toegenomen diversiteit en om ten opzichte van de nieuwe Europeanen – dit zijn zowel de nieuwe lidstaten van de Unie als de immigranten van buiten Europa – het juiste evenwicht te vinden tussen respect voor de eigenheid en verplichting tot integratie.

Europa heeft immers ook een onderste tolerantiegrens: eerbied voor de menselijke waardigheid, de vrijheid, de democratie, de gelijkheid, de rechtsstaat en de mensenrechten. Maar de grens wordt uiteindelijk bepaald door het mens- en wereldbeeld dat erachter steekt. De Leitkultur van onze set van gedeelde waarden en verantwoordelijkheden maakt dat we overal in Europa in elkaars ‘gedachtegang’ kunnen stappen zonder een te grote geestelijke sprong te moeten wagen.

Door te vergelijken met andere samenlevingen ontwaren we wel iets dat op zo’n Leitkultur lijkt. De Amerikaanse econoom Jeremy Rifkin, auteur van The European Dream, zei over de Amerikanen: “Voor ons [Amerikanen] betekent vrijheid onafhankelijk zijn, voor jezelf kunnen zorgen, niemand anders de schuld geven als dingen misgaan.” Over de Europeanen zei Rifkin: “Op het Europese continent wordt de vrijheid ingebed in kwaliteit van het leven, in de relaties die je met anderen hebt. Geen ouder vertelt zijn kind dat hij er alleen voor staat, dat niemand hem zal helpen. (…) Jullie [Europeanen] leggen elkaar belastingen op, zodat de hele gemeenschap het kader schept om goed te leven.”

Die zorgzaamheid in solidariteit en nabijheid is de originaliteit van Europa. Maar is die uitspraak van mij nu een bezielde realiteit, of eerder een vrome wens in het licht van ontwikkelingen die vandaag alles op de helling schijnen te zetten?

Heeft Europa eigenlijk wel een ziel?
We hebben de ziel van Europa verwaarloosd, want Europa heeft wel een ziel maar die zit te diep verscholen in onze inborst. De materiële zorgen kregen voorrang op de immateriële ‘zielzorg’, en dat is begrijpelijk (“Erst kommt das fressen, dann die Moral”).

Niet alleen de stichters Schuman, Adenauer en de Gasperi – die overigens wel een duidelijk waardebeeld hadden voor Europa – maar vooral ook de volgende generaties “bouwers van het Europese huis” hebben misschien te uitsluitend aandacht besteed aan praktische zaken. Daardoor is Europa als politieke inspiratie en als gemeenschap van waarden in de schaduw blijven staan.

Of zoals men het in Frankrijk zei bij de laatste presidentsverkiezingen: “Les gens ne se mobilisent pas sur des mesures, mais sur des valeurs, sur le sens.”

Dat is de kern: de mens en zijn waardigheid. Omdat hij kind van God is, zegt het christendom, is elke mens evenveel waard. Onderschat niet hoe fenomenaal betekenisvol die uitspraak is! Het mensbeeld dat uit dat christelijke geloof voortvloeit, is de kern van de Europese identiteit.
Ik ben ervan overtuigd dat precies daarom het personalisme aan herwaardering toe is, in deze tijd van technologische kennis en wetenschappelijke inzichten. In een tijd die vooral oog heeft voor de ‘wetmatigheden’ van de natuur en van de dingen, bestaat immers ook het gevaar om de mens te reduceren tot een bundel van ‘genetische driften’ – volgens sommigen is zelfs alles wat we doen, ingegeven door “de overlevingsdrang van onze zelfzuchtige genen”.

Het personalisme is een filosofie die is gebaseerd op de onvervreemdbaarheid van de menselijke waardigheid. Het bekijkt de mens in categorieën die uitgaan van zinvolle relatie tussen personen, in categorieën die de mens zien als een medemens. En dat zijn veeleer categorieën van zinvolheid dan van oorzaak, veeleer van respect dan van macht, veeleer van morele waarde dan van efficiëntie, veeleer van begrijpen dan van uitleggen.

Centraal staat de mens, de mens als persoon, dit is niet als een louter autonoom individu maar als een individu-in-verbondenheid, de mens als medemens, het individu met rechten en plichten, de mens die zich opgeroepen weet door het gelaat van de ander, opgeroepen om de ander te dienen en zo zichzelf te worden.

De Duits-Britse socioloog Ralph Dahrendorf, die vorig jaar overleed, merkte terecht op: “Geschiedenis, thuis, familie, geloof zijn typische elementen van sociale verbanden die het individu bevrijden uit het vacuüm van een samenleving die uitsluitend op prestatie en competitie is gericht…”  Het zijn niet toevallig ook allemaal verbanden die de mens overstijgen, in die oorspronkelijke betekenis van het woord ‘religie’ – van het Latijnse werkwoord ‘religare’, dat verbinden betekent.

Terug naar de basisvraag
Kan een personalistisch mensbeeld wel leven en groeien zonder transcendentie, zonder een spiritueel inzicht? “Wat is het geloof zonder de werken?”, zegt men wel eens. Maar geldt het omgekeerde ook?

Kardinaal Danneels zei het in een interview vorige week zo: “De kracht van het christendom ligt niet in waarden of in het institutionele, maar in het onzichtbare vuur – zoals op het puntje onderaan de kaarsvlam – dat zich een weg baant bij mensen en in de wereld. Niet het waardenpakket maar dat innerlijke vuur is de specificiteit van het christendom. Waarden die op zichzelf staan, zonder verankering in het transcendente, ‘draaien zot’, zoals Chesterton zei.”

Of zoals de Belg Albert Dondeyne, mentor van generaties Leuvense studenten en stichter van de kring Universitas, het kernachtig verwoordde: “De genade van het geloof die de mens een nabijheid van God schenkt, haalt hem niet uit de wereld van het aardse, historische bestaan, maar legt hem een nieuwe verantwoordelijkheid op voor het leven van elke dag en voor de geschiedenis der mensheid.”

Maar is dat voor onze samenleving van de XXIste eeuw niet te hoog gegrepen? Is het redelijk te verwachten dat de christelijke waarden die we onze samenleving als leidraad toewensen, ook voor elk individu authentiek doordesemd zijn door deze spirituele bron? Heeft dat in Europa eigenlijk ooit wel bestaan? Of is het niet juist dat het beeld van het “zout van de aarde” beter geschikt is om de werking van het geloof in de wereld te beschrijven: mensen (“heiligen”, die het van zichzelf meestal niet beseffen) die hun inspiratie op een zo opmerkelijke manier laten doorklinken in hun handelen en spreken, dat ze anderen ten voorbeeld dienen?

Van de samenleving terug naar de mens
In het personalisme staat het gemeenschapsaspect centraal zonder te raken aan de menselijke vrijheid en aan de vrijheid van geweten. Het doel van de tijdelijke orde is het algemeen welzijn, en dat algemeen welzijn is meer dan de simpele optelling van de individuele belangen. Maar ook dat algemeen welzijn of ‘bonum commune’ is niet het uiteindelijke doel, het is ondergeschikt aan wat Maritain noemde “le bien intemporel” van de menselijke persoon: het verwerven van vrijheid en geestelijke volmaaktheid. 

Dus, het tijdelijke ‘bonum commune’ is in de concrete werkelijkheid van staat en samenleving, in de concrete omstandigheden van tijd en ruimte een doel op zich, maar is tegelijkertijd toch maar intermediair, ondergeschikt aan het ultieme doel: het geluk van de mens.

In het personalisme is er dus een voortdurende spanning tussen de ondergeschiktheid van de ‘individuele’ vrijheid van het ik aan de ‘persoonlijke’ verantwoordelijkheid voor het wij enerzijds en de prioriteit van de persoonlijke roeping boven de collectieve streefdoelen anderzijds. Die spanning zal nooit opgeheven kunnen worden. Dat betekent dan ook dat voor het personalisme de tijdelijke orde nooit definitief  bereikt is. 

Voor een personalist bestaat er dus niet zoiets als een Gidsland of een Modelstaat. Hij weet dat dit een onbereikbaar ideaal is, precies omdat hij ook weet dat beide drijfveren van het menselijke handelen “altruïsme” én “egoïsme” zijn. Altruïsme en egoïsme vormen de tandem waarmee de mens zijn tocht door het leven voortzet.

Omdat de mens zwak is, is de perfectie niet van deze wereld. Het is dus ook onmogelijk om de wereld perfect te maken. Dat wil dan ook zeggen dat het gevaarlijk is om de streven naar de ultieme maatschappelijke organisatie. Want daarmee beweert men iets over de mens wat hij niet is en ook nooit kan worden, namelijk volmaakt. “L’homme n’est ni ange ni bête, et qui veut faire l’ange fait la bête”, zei Blaise Pascal.

Precies omdat de ideale staat niet bestaat, is haar rol wel belangrijk maar ook relatief. De politiek is in alles, maar niet alles is politiek. De politiek – zeker in een politieke democratie – volgt de beschaving, maar is veeleer sporadisch een maker van beschaving. Ze moet ervoor zorgen dat de mensen – in samen gedragen verantwoordelijkheid en vrijheid – hun lot in handen kunnen nemen.

Boven de politiek en de economie en boven al het prachtige en het prettige waarmee de mens zijn aardse leven vult, staat de religieuze betekenis van de mens als kind van God en dus als naaste. Het is die religieuze betekenis van de mens die ervoor zorgt dat humanisme waarlijk humanisme is, namelijk het “humaner” maken van de wereld door vrijheid, verantwoordelijkheid en verbondenheid. Dat moet ons leven, ons samenleven en ons Europa een hart en een ziel geven, “zin en hoop”, twee andere woorden voor geloof.

Ik ben ervan overtuigd dat, ook in deze zogezegd moeilijke tijden, dat geloof onze “redding” zal blijken te zijn. Want, zoals Augustinus schreef, “wij zijn de tijden; de tijden zijn wat wij ervan maken”.

Het gesproken woord geldt

Recente foto's

Nationale Feestdag Défilé - 21 juli 2010
.
.
.
.
.
.
.
.

Zoeken