Toespraak op de uitreiking van de Frans Dewitteprijs - Kortijk, vrijdag 25 juni 2010
25-06-2010
Als vandaag de Frans Dewitteprijs kan worden uitgereikt, dan is het omdat er mensen en verenigingen zijn die zo’n prijs verdienen. Vandaag gaat de prijs zeker en vast verdiend naar een initiatief en haar talloze vrijwilligers, omdat ze zich inzetten voor hun medemensen: gratis en voor niets.
Dat zegt mij dat het vrijwilligerswerk niet dood is. Integendeel, ongeveer 1 op 3 mensen is op een of andere manier actief in de zorg voor de medemens, en er komen steeds nieuwe initiatieven bij.
Het vrijwilligerswerk van honderdduizenden mensen, miljoenen eigenlijk, is het mooiste bewijs dat onze samenleving haar waarden niet kwijt is, wat men ook beweert. De Britse historicus Tony Judt zei onlangs: “Er is iets grondig mis met onze manier van leven. We weten wat de dingen kosten, maar we hebben geen idee wat ze waard zijn.” Hij heeft een beetje gelijk, maar toch is dat verre van de hele waarheid. De mensen weten maar al te goed wat van waarde is.
Heb je ooit op de Nederlandse televisie het programma ‘Kunst of Kitsch’ gezien of op de Britse televisie ‘The Antiques Roadshow’? In elke aflevering gebeurt meermaals iets merkwaardigs. Deze programma’s brengen beelden van een schattingbeurs van antieke en oude spullen. Honderden mensen schuiven in lange rijen aan met de ‘schatten’ uit hun huis om te weten of die waarlijk zo oud zijn als ze dachten en vooral om te weten hoeveel ze waard zijn. Elke schatting van elk voorwerp of kunstwerk, eindigt met het ‘hoogtepunt’ dat de specialist-schatter vertelt hoeveel geld ze voor dat ding kunnen krijgen. Heel vaak schrikken mensen van het hoge bedrag, ze waren er zich totaal niet bewust van, maar elke keer voegen ze eraan toe: “Maar we verkopen het niet, hoor, dat is van de familie en het blijft in de familie…”
De immateriële, sentimentele of emotionele waarde van de dingen is uiteindelijk voor de mensen veel groter dan de hoogste prijs die een bieder wil neerleggen. Het immateriële is niet te koop. Echte waarden zijn te koop – dat alles en iedereen zijn prijs heeft, is een leugen – echte waarden hebben geen prijs waartegen ze geruild kunnen worden, omdat echte waarden vertellen over mensen en hun verbondenheid.
De meeste mensen weten maar al te goed wat van waarde is voor het leven en het samenleven. Dat zijn onder meer: liefde, zorg, aandacht, inzet, iets doen voor een ander… Het gaat hem dus over de diepste waarden van solidariteit en naastenliefde. Wat van de grootste waarde is, dat zijn de waarden waaruit wij het opnemen voor elkaar.
Dichter Lucebert schreef: “Alles van waarde is weerloos.” Ik voeg daar toch aan toe: “Mensen met waarden zijn weerbaar.” En dat zien we op een bijzondere wijze bij vrijwilligers in verenigingen, organisaties en projecten allerhande. Mensen die uit waarden leven, leggen zich niet neer bij de toestand. Ze willen de toestand verbeteren, het onrecht herstellen, de leemte van de aandacht vullen, en bovenal mensen warmte en waardigheid bieden. Bovenal vrijwilliger zijn mensen die gedreven ze zijn door de grote waarden van menselijkheid. Precies omdat mensen met waarden naar de samenleving en haar vraagstukken kijken door de ‘waardebril’, ontdekken ze de nieuwe noden en zoeken voor die nieuwe noden oplossingen. Waarden maken creatief. Weerbaarheid met initiatief!
Deze creatieve weerbaarheid is begrijpelijkerwijze het meest zichtbaar in het vrijwilligerswerk. In het vrijwilligerswerk gaan mensen spontaan samen zitten om samen de zaken in handen nemen. Ze weten dat de markt uiteindelijk geen menselijkheid levert, ook al willen reclamespots ons wijsmaken dat geluk uit een potje komt. Mensen weten maar al te goed dat naastenliefde niet te koop is. Ze verwachten bovendien ook helemaal niet dat de overheid alles zal doen in hun plaats. Want ze weten dat een samenleving die alle verantwoordelijkheid op de staat afschuift, een samenleving wordt die niets anders is dan de som van indivualisten die naast elkaar leven en alleen met hun eigen geluk bezig zijn. Mensen weten dat dit niet het geluk is, want dat we nooit op ons eentje gelukkig kunnen worden. De grote les van het leven is: de solitaire mens is op zoek naar een solidaire samenleving.
De Nederlandse televisiemaker Leo Fijen schreef een aantal jaar geleden een mooi boekje over zijn eigen dorp onder de titel, “Het wonder van Maartensdijk” (zo heet dat dorp in de buurt van Hilversum). In zijn boek vertelt Fijen hoe mensen er aandacht hebben voor elkaar en hoe het slapende dorp veranderde in een levende gemeenschap dankzij het veelkleurige vrijwilligerswerk. Terloops merkt hij op: “Mensen willen de individuele ervaring [van geluk] ook delen met anderen. Zij willen bij dat individuele gevoel de troost of de blijheid ervaren dat ze niet de enigen zijn.” Mensen willen geluk delen, en daarom willen bij ongeluk elkaar bijstaan.
Samen-leven heeft dus meer nodig dan tolerantie om een samen-leving te zijn. Tolerantie kan een illusie van verbondenheid zijn, maar tolerantie alleen is in werkelijkheid niet veel meer dan vermomd mijdingsgedrag zijn: “Doe wat je wil, ik heb met jou toch niets te maken.” Met elkaar op stap gaan, zich elkaars lot aantrekken, dat is wat anders dan elkaar ‘tolereren’. Echte verbondenheid begint wanneer mensen aan elkaar meer aandacht besteden dan wat moet van het fatsoen: wie over het ‘moeten’ heenstapt, betreedt het domein van het ont-moeten. Dat is samen-leven: op zoek naar ontmoeting van mens tot mens. Actief respect voor elkaar, dat is niet elkaar respecteren door op afstand te blijven, maar dat is elkaar respecteren door elkaar nabij te zijn (zonder zich op te dringen).
Deze menselijke nabijheid komt tot uiting in verantwoordelijke betrokkenheid voor elkaar en voor de gemeenschappelijke zaak. Dat kan veel angst, onveiligheid en onzekerheid wegnemen bij mensen. De hedendaagse ‘cultuur van de angst’ vindt haar oorsprong in het onmachtsgevoel van de burger, namelijk in het gevoel dat hij geen greep meer heeft op zijn omgeving en op zijn eigen leven. Daarom is goed sociaal werk, professioneel zowel als vrijwillig, er altijd op gericht om de verantwoordelijkheid van de burger te versterken. Dan komt de zelfzekerheid weer en krijgt de mens weer grip op zijn leven en het samenleven. Dan neemt ook zijn vertrouwen toe: in het leven, in de medemensen en in de overheid. Precies daar ligt ook de kracht van het vrijwilligerswerk.
Vrijwilligers zorgen er ook voor dat in ons streven naar meer rechtvaardigheid de menselijke maat wordt behouden. Zij zorgen, zoals ik al zei, voor iets fundamenteels: de nabijheid. En zij realiseren ook iets fundamenteels: solidariteit, namelijk dat mensen hun vrijheid, hun verantwoordelijkheid en hun welzijn het best bereiken in samenwerking met anderen. Wat mensen voor elkaar doen, is altijd beter gedaan, omdat het nabij is én samen. Door samen solidariteit te realiseren houden we onze individuele vragen binnen het algemeen belang, houden we de samenleving bij elkaar.
Vrijwilligers zorgen echter niet alleen voor iets fundamenteels, namelijk nabijheid. Vrijwilligers realiseren niet alleen iets fundamenteels, namelijk solidariteit, vrijwilligers dragen ook iets fundamenteels uit, namelijk zingeving. Zonder zorgzaamheid jegens elkaar had de mensheid de natuur nooit overleefd. En daarom is zorgen voor elkaar meer dan een instinct, het geeft zin aan ons leven. Vrijwilligers hebben een zinvol bestaan, dragen een zinvol leven uit, want ze leven uit waarden en maken daarom het leven waardevol.
Ik weet het wel, veel dingen moeten professioneler worden aangepakt. Maar laten we bij de eis van professionalisering toch nooit vergeten: professionals zullen nooit de vrijwilligers overbodig maken, professionals mogen nooit de vrijwilligers wegduwen, want dan duwen ze een belangrijke zingever uit onze samenleving: dat we het voor elkaar opnemen, gratis en belangeloos, enkel en alleen omdat we mensen zijn.
En er is nog iets, iets waar ik al even op heb gewezen: vrijwilligers hebben uitzonderlijk goede voelsprieten voor de noden en de behoeften die zich nieuw aandienen in de samenleving. Vrijwilligers leven tussen de mensen, horen en zien wat mensen beweegt en waar mensen onder lijden of behoefte aan hebben; vanuit die levensnabijheid en praktische levenservaring voelen zij wat nodig gedaan moet worden
Het is een feit dat alle grote maatschappelijke vragen eerst zijn opgemerkt en eerst werden beantwoord door vrijwilligers. De geschiedenis van het welzijnswerk leert ons dat. Twee recentere voorbeelden: de palliatieve zorg groeide uit initiatieven van vrijwilligers, de ecologische aandacht ontstond in bewegingen van vrijwilligers. Dan pas vonden die nieuwe initiatieven en die nieuwe gevoeligheden hun weg in de samenleving en uiteindelijk in de professionele wereld. Het vrijwilligerswerk was echter eerst.
Dat wil dan toch ook zeggen: de professionele wereld en de politiek hebben vrijwilligers nodig om de noden te helpen opsporen. Maar vrijwilligers kunnen die noden maar opsporen, als ze de ruimte en de kans krijgen om zich te engageren tussen de mensen. Vrijwilligers vormen dus een belangrijk sociaal kapitaal. Het vrijwilligerswerk moet dan ook door de overheid worden ondersteund en gewaardeerd, want het bevordert de maatschappelijke samenhang, het versterkt de democratie en het is een laboratorium voor nieuwe initiatieven.
Dat is precies ook de reden waarom het christelijke middenveld de sociale problemen beter kent dan andere instellingen en organisaties. Omdat het de band met de vrijwilligers nooit heeft verbroken. Dat middenveld, het vrije initiatief dat niet is gericht op geldgewin, zorgt er dan ook voor dat wij in ons sociaal beleid blijven denken vanuit de vraag van de mensen en niet alleen vanuit het aanbod van de overheid of de markt. De mens staat voorop, de hulp- en zorgbehoevende allereerst. Dat kunnen we alleen maar blijven realiseren, als onze social-profit-initiatieven mee worden gedragen door vrijwilligers en niet alleen door professionals, hoe belangrijk die ook zijn.
Precies omdat het sociale vraagstuk van deze tijd allereerst een probleem is van menselijke verhoudingen – onder andere de vereenzaming en de kloof tussen de generaties –, is de plaats van organisaties van het vrij initiatief in onze samenleving van uiterst belang en mag binnen dat vrije initiatief de rol van de vrijwilliger niet worden verwaarloosd om ‘aanwezigheid’ en nabijheid te bieden.
Professionalisering en vrijwilligerswerk zijn geen of/of-verhaal maar een en/en-verhaal. Dat wil dan ook zeggen dat vrijwilligersorganisaties moeten worden gestimuleerd om hun organisatorische en financiële management te verbeteren, om de vorming en de omkadering van hun vrijwilligerswerk te optimaliseren en om samenwerkingsverbanden met andere groepen en instanties te ontwikkelen.
De vrijwilliger is het prototype van de goede mens. Dat mag ook eens gezegd worden. De vrijwilliger verlegt immers, ongeweten en onbewust misschien, de grenzen van de rechtvaardigheid in de richting van de goedheid, zonder dat het paternalisme wordt. Want de hedendaagse mens wil niet betutteld worden, hij wil ook gerespecteerd worden als individu, als mens met zijn eigen zelfstandige waardigheid. Het is onze opdracht om een nieuwe solidariteit te ontwikkelen die geen afbreuk doet aan de zelfstandigheid van de mens, met de zelfredzaamheid als pendant van de zorgzaamheid.
Als we een moreel hoogstaande samenleving willen, dan hebben we veel mensen nodig die het opnemen voor anderen. Filosoof Emmanuel Levinas zei dat de moraal zijn oorsprong vindt in de verantwoordelijkheid die mensen opnemen voor anderen.
De grondslag van die verantwoordelijkheid is immers de naastenliefde. Liefde is belangeloos, want in de naastenliefde worden de belangen van de anderen onze belangen. Dat is het. Liefde is misschien wel niet alles in het leven, maar zonder liefde is alles niets. Voor de brede samenleving geldt eigenlijk hetzelfde: naastenliefde lost niet alles op in de samenleving, maar zonder naastenliefde gebeurt helemaal niets.
Het is die naastenliefde, vertaald in de zorg voor de medemens, die vrijwilligers ‘beweegt’. ‘Beweegt’ in twee betekenissen. Ten eerste, ze worden bewogen mensen, dat wil zeggen dat ze bewogen worden door wat anderen overkomt. Ten tweede, ze zetten dingen in beweging, in beweging in de richting van meer rechtvaardigheid en grotere menselijkheid.
Daarvoor dank ik hen. Daarvoor dank ik u. Daarvoor is ook de Frans Dewitteprijs van ACW Kortrijk bestemd. Het initiatief en de mensen naar wie de Frans Dewitteprijs 2010 gaat, beantwoorden helemaal aan die inspiratie van ‘bewogen beweging’.
Ik wil graag het ACW van Kortrijk feliciteren met het initiatief van de Frans Dewitteprijs. Ik feliciteer u, omdat u in deze tijd van noodzakelijke professionalisering tegelijk duidelijk maakt dat u de vrijwilligers niet vergeet en dat vrijwilligers essentieel zijn voor de christelijke arbeidersbeweging. Meer zelfs, door de uitreiking van deze prijs toont u respect en waardering voor het werk dat mensen gratis, belangeloos en voor niets doen. U toont door de uitreiking van de prijs niet alleen respect en waardering, maar roept ook anderen op om zich, belangeloos, gratis en voor niets, het lot van anderen aan te trekken. En het is een feit, we zullen nooit vrijwilligers te veel hebben.
Uiteraard eindig ik met mijn felicitaties voor de winnaars van de Frans Dewitteprijs 2010. Maar mijn felicitaties gaan eigenlijk ook naar alle andere initiatieven en hun vrijwilligers die hier vanavond bijeen zijn. Jullie zorgen er met z’n allen voor dat onze samenleving ‘leeft’.
Als iemand mij zou vragen: “Wat is Vlaanderen?”, dan zou ik de vraagsteller naar een avond als deze mee moeten brengen en dan zou ik gewoon wijzen naar jullie. Want jullie zijn de warme samenleving.
Jullie zijn de echte en hechte samenleving: mensen die het opnemen voor elkaar, mensen die zorg dragen voor elkaar, mensen die zich organiseren, mensen die beweging maken en daardoor de samenleving doen bewegen. Doen bewegen in de richting van een meer zorgzame samenleving. Een samenleving waarin elke mens telt, elke mens dezelfde waarde heeft, ongeacht hoe geleerd, hoe gezond of hoe rijk hij is.
Vrijwilligers zijn het cement van zo’n samenleving. Zij zijn het voegwerk tussen de maatschappelijke bouwstenen.
Het gesproken woord geldt
