In de Senaat

Vrijdag 19 januari 2015 Tussenkomst van Steven Vanackere in het debat in de plenaire vergadering in aanwezigheid van de Eerste minister.

Ik waardeer het dat de eerste minister bereid was hier vandaag aanwezig te zijn. Het is ook niet meer dan normaal dat hij zijn uiteenzetting begon met de maatregelen die de regering zal nemen ten aanzien van de dreiging van het terrorisme. Ik sluit me namens de CD&V fractie aan bij de lofbetuigingen van de vorige sprekers aan het adres van al diegenen die over onze veiligheid waken.

Op een dag als vandaag overheerst bij iedereen een surrealistisch gevoel. We hadden de eerste minister kunnen laten weten dat hij niet naar de Senaat hoefde te komen omdat hij andere katten te geselen had. Toch wil ik bewijzen dat een instelling als de Senaat wel degelijk een rol kan spelen op een domein dat vandaag zovele landgenoten bekommert.

De Senaat is meer dan ooit een assemblee die wordt geacht in staat te zijn wat afstand te nemen. Reflectie kan niet zonder een minimum aan afstand. De eerste minister zei dat de Senaat zoveel zal betekenen als de senatoren ervan willen maken.

Wij willen geen dubbele debatten voeren of in uitgesteld relais op een nagel kloppen, maar dat betekent natuurlijk niet dat we niet aan politiek willen doen. Dat houdt wel in dat we dat op een andere wijze zullen doen.

De Senaat is een ontmoetingsplaats van de actoren van het federalisme, aldus de eerste minister in zijn toespraak. We zullen de Senaat als dusdanig gebruiken, maar combineren die ontmoetingsplaats met de ambitie van bewakers, inspirators, motivators en zelfs souffleurs van het samenwerkingsfederalisme.

Ontmoeten volstaat voor ons niet, want we willen ervoor zorgen dat alle actoren van ons ingewikkelde land goed weten wat hen te doen staat. We hebben het institutioneel model geboetseerd volgens onze veelzijdige, meertalige, ingewikkelde maatschappelijke realiteit. Dat is goed. Alleen moeten alle actoren van dit ingewikkeld institutioneel netwerk af en toe worden herinnerd aan hun opdracht. Verwachten de inwoners van ons land dat de parlementen met elkaar in conflict treden of elkaar beconcurreren? Verwachten ze dat die parlementen elkaar de zwarte piet doorschuiven? Of verwachten de burgers oplossingen?

Te vaak wordt Belgische politiek verward met de vaardigheid iemand anders de schuld te geven. Daaraan moet in de Senaat een halt worden toegeroepen. Hier moeten we meer dan ooit op een positieve manier tonen hoe er kan worden samengewerkt.

De transactiekost van ons relatief ingewikkeld institutioneel model heeft een reden, maar moet tot een minimum worden beperkt. Mevrouw Meuleman en heel wat andere leden merkten op dat de burger van ons verwacht dat wij tonen dat er effectief kan worden samengewerkt, ook over de partijgrenzen heen.

Ik herhaal dus dat onze rol er niet in bestaat debatten te herhalen over onderwerpen die in andere assemblees moeten worden behandeld. In de Kamer moet de regering het vertrouwen zoeken, niet hier in de Senaat. In de parlementen van de deelstaten moeten de minister-presidenten en hun regering het vertrouwen van hun parlement winnen, niet hier in de Senaat.

Onze rol bestaat erin om op een dag als vandaag, waarop de premier sprak over antiterrorismemaatregelen, de bestaande federale en interfederale structuren voor overleg en samenwerking heel hoog op de politieke prioriteitenlijst te plaatsen.

Mijn volgende opmerking heeft helemaal niet tot doel iemand in verlegenheid te brengen. Sinds het aantreden van de regering heeft het Overlegcomité nog niet vergaderd. Dat betekent dat de hele resem interministeriële conferenties, die opnieuw moeten worden samengesteld, officieel nog niet van start kunnen gaan. Dat kan de Interministeriële Conferentie inzake Veiligheids- en handhavingsbeleid dus ook niet.

Ik zoek helemaal geen spijkers op laag water. Ik ben me er terdege van bewust dat als een dossier dringend is samenwerking op politiek vlak altijd mogelijk is. Ik maak van deze gelegenheid dan ook gebruik om de premier te feliciteren voor zijn overleg met de ministers-presidenten, zowel voor maar eveneens zonder camera. Ik beweer dan ook niet dat er onvoldoende overleg is. De premier zal evenwel moeten erkennen dat in ons ingewikkeld land de ministers elkaar in de ogen moeten kunnen kijken, onder meer in het Overlegcomité of de Interministeriële Conferenties, om te zien of ze hun beleid op elkaar kunnen afstemmen.

Mag ik vragen daarvan een stevige prioriteit te maken? Niet omdat ik denk dat er een zucht van verlichting door het land zal gaan op het ogenblik dat men weet dat ook de interministeriële conferenties aan de slag zijn. Maar laten we toch de bescheiden, maar sterke ambitie koesteren om de bewaker te zijn van de olie die de raderen doet draaien en daarvoor wel degelijk respect afdwingen.

Ik ben de premier bijzonder dankbaar dat hij ook uitvoerig over Europa heeft gesproken. Even aarzelde ik daarbij en had ik dezelfde reactie als Bert Anciaux. Een paar maanden geleden is echter in een academisch werk aangetoond dat de “europeanisering”, de grotere integratie in verschillende landen leidt tot een “Prime Ministerialisation” van het beleid. De premier moet als woordvoerder op de Europese fora enorm veel naar zich toe trekken, want zo werkt het nu eenmaal. Op een bepaald ogenblik moet er gesproken worden en de premier is heel vaak degene die dat namens ons doet. Dan is het goed dat hij ook hier in de Senaat over Europa komt spreken, want het biedt ons senatoren, van wie de meeste uit deelstaatparlementen komen, de kans om de gevoeligheden en prioriteiten van de deelstaten aan het Europese niveau door te spelen.

Ik geloof wel degelijk dat de Senaat een rol te spelen heeft. De premier zei: “De Senaat zal zijn wat de senatoren ervan maken.” Dat zal veel te maken hebben met wat wij zullen doen en paradoxaal genoeg ook met wat we niet zullen doen, namelijk ons gedragen alsof we in een ander parlement zaten.

Bij de aanslag op Charlie-hebdo

Zaterdag 10 januari 2015"Technisch gesproken komt de persvrijheid en het recht op vrije meningsuiting natuurlijk wel degelijk ook neer op het recht om anderen in hun overtuigingen of gevoeligheden te kwetsen en belachelijk te maken."

Het is erg lastig om: (1) recht te doen aan de absoluutheid van de regel dat wat iemand denkt of zegt nooit - nergens, in geen geval - geweld verantwoordt, en dat de overheid die vrije meningsuiting ook niet aan banden mag leggen (tenzij het gaat over het wettelijk verbod tegen oproepen tot haat bijv.); (2) tegelijk een aanvoelen te verwoorden dat de hoogste menselijke ethiek nu ook weer niet kan verzinnebeeld worden door het vernederen van wat iemand anders belangrijk vindt. Dat betekent niet dat wie wel gebruik maakt van die povere vertaling van de vrije meningsuiting, het op de een of andere manier "zelf gezocht" zou hebben: pestkoppen, oneerbiedigen en blasfemisten verdienen volstrekte maatschappelijke bescherming. Hieronder de volledige passage over vrijheid van meningsuiting, uit mijn boek van veertien maanden geleden (De eerste steen, zeven hoofdzonden in politiek en samenleving): "Ik pleit er toch voor dat we argumenten van respect en goede smaak niet weren uit het maatschappelijk debat. Toonaangevende mensen van mijn generatie of zelfs jonger, die – geestig anachronisme! – doen alsof ze nog persoonlijk het juk van een onderdrukkende kerk, loodzware sociale controle en verstikkende patriarchale regeltjes hebben moeten afschudden, wennen er best eens aan dat Vlaanderen het proces van secularisering en emancipatie echt niet heeft ontlopen. Dat betekent dat men volwassen, en zeker niet te kregelig, moet reageren als iemand tegengas geeft tegenover uitingen, waarvan de vernuftigste verantwoording te vinden is in het dogma Alles-moet-kunnen. Wie over zulke dingen een afkeuring laat horen, hoeft daarom niet meteen vergeleken te worden met een boekverbrander. “Ik houd veel meer van de vrijheid van meningsuiting vanwege het kwaad dat zij voorkomt dan vanwege het goede dat zij voortbrengt”, zei de Franse politiek filosoof Alexis de Tocqueville. Technisch gesproken komt de persvrijheid en het recht op vrije meningsuiting natuurlijk wel degelijk ook neer op het recht om anderen in hun overtuigingen of gevoeligheden te kwetsen en belachelijk te maken. Maar het draagt niet bij tot het slaan van bruggen tussen mensen. De grenzen van de wet aftasten staat nog niet gelijk met een publieke moraal. Dat laat niet weg dat het zeer dom is om bepaalde uitingen te verbieden, tenzij ze strijdig zijn met een wettelijk verbod zoals tegen oproepen tot haat. Begrijpelijkerwijs is een verbod vaak al genoeg reden om het provocerende materiaal zeker wel te publiceren, en voor het publiek voegt het een aantrekkingskracht toe aan iets wat in andere omstandigheden, beoordeeld op louter kwaliteit, misschien maar heel weinig potten zou breken. Overigens gaat het broodnodig ethisch reveil van onze tijd best niet alleen over wat mensen al dan niet mogen lezen, horen of bekijken. Het oeverloos postmodern gebabbel en geruis valt trouwens niet aan banden te leggen. Ethisch reveil moet als ambitie slaan op nieuwe manieren om zorgzamer met elkaar om te springen. En om anderen vaker in hun waarde te laten."

Senator Vanackere te gast bij TV-Brussel

Woensdag 17 december 2014'Goed overleg is nodig'

Over het beter bepalen van een concreet toekomstperspectief, waarvoor mensen zich wel degelijk willen inzetten. En over de noodzaak om echt iedereen zijn steentje rechtvaardig te laten bijdragen.

De eerste steen

Een kompas voor politiek en samenleving

"Het vergt moed om in dit tijdsgewricht nog een gepassioneerd pleidooi voor politiek te houden. Zeven maanden na zijn ontslag, komt CD&V'er en ex-financieminister Steven Vanackere (49) weer in de publieke arena, met het boek 'De eerste steen', waarin hij zijn geloof in de waarde van de politieke stiel verdedigt. Ook al lijdt die stiel, net zoals wij allen, aan een flinke portie van de zeven hoofdzonden, de kapstok waaraan dit lezenswaardig essay vasthangt." (Yves Desmet, in De Morgen)

"Als u met de verkiezingen in aantocht bedolven wordt onder een lawine aan politieke boeken, kies er dan 'De Eerste Steen' van oud-vicepremier Steven Vanackere uit, ook al bent u geen tjeef. Omdat zijn ideeën over de deugden en ondeugden van de politiek zijn gerijpt in de benedictijnenabdij van Affligem, weg van de waan van de dag, enkele maanden na zijn ontslag als minister van Financiën, maar vooral omdat hij ze stijlvol en helder heeft opgeschreven, die ideeën. Leesplezier is doorgaans niet de grootste troef van politieke boekjes, maar stel vast: Steven Vanackere schrijft zo vlot als hij praat, maar dan puntiger, gelukkig maar." (Jan Segers, in Het Laatste Nieuws)



Contact

steven.vanackere@senators.senate.be

of via Petra Vankeirsbilck, adviseur

pvk@senaat.cdenv.be
gsm +32 497 59 99 20